Cijfers kabinet-Rutte II (2012-2017) - EU monitor

EU monitor
Sunday, July 12, 2020
calendar

Cijfers kabinet-Rutte II (2012-2017)

Source: Parlement.com.

Het kabinet-Rutte II i trad aan in een periode waarin Nederland, in het verlengde van de Grote Recessie als gevolg van de kredietcrisis, wederom te maken had met negatieve economische groei. De eurocrisis, met name de telkens terugkerende problemen rond de Griekse staatsschuld, zorgden vooral in de eerste jaren van het kabinet voor grote onzekerheid. In de loop van de kabinetsperiode kwam de economie enigszins uit het slop.

Ondanks de moeilijke omstandigheden wist minister Dijsselbloem i het begrotingstekort, dat in 2012 nog bijna 4% BBP bedroeg, volledig weg te werken. Volgens critici bracht het bezuinigingsbeleid van het kabinet onnodige schade aan de economie toe. De voorstanders waren van mening dat dit niet anders kon en dat de economie er aan het eind van de kabinetsperiode, mede dankzij het beleid, weer een stuk beter voor stond.

1.

Algemeen beeld

Na de economische krimp van 1,1% in 2012 en 0,2% in 2013 kwam de economie maar moeizaam weer op gang. Ook de grote bezuinigingsoperaties van het kabinet-Rutte II, inclusief de doorwerking van de bezuinigingen en lastenverzwaringen die reeds daarvoor in gang waren gezet, remden de economische groei. Gecorrigeerd voor inflatie bereikte de omvang van de economie pas in 2015 weer het niveau van 2008, aan het begin van de crisis. Ondanks een (omstreden) ruim monetair beleid van de ECB was de inflatie gedurende een groot deel van de kabinetsperiode nauwelijks groter dan nul.

Uit de in september 2017 beschikbare cijfers en CPB-prognoses tot en met 2018 blijkt dat de economische groei in de jaren 2012-2017 gemiddeld op een magere 1,3% uitkwam. Aan het eind van de kabinetsperiode was de groei echter versneld tot boven de 3%, maar waren er internationale onzekerheden en potentiële groeiremmende factoren zoals de Brexit, onzekerheid over het beleid van de Amerikaanse president Trump en een dreigende herleving van de Griekse schuldencrisis.

De werkloosheid steeg van 5,8% in 2012 naar 7,4% in 2014. Deze orde van grootte was in Nederland vanaf de tweede helft van de jaren ’90 niet meer voorgekomen. Aan het eind van de kabinetsperiode daalde de werkloosheid echter weer snel. In 2017 zou de werkloosheid naar verwachting 0,9%-punt onder het niveau van 2012 uit komen, al zou het aantal mensen dat afhankelijk is van een bijstands- (of vergelijkbare) uitkering groot blijven. Met de Wet Werk en Zekerheid van minister Asscher i (Sociale Zaken en Werkgelegenheid) werd de maximale WW-duur verlaagd en werden wijzigingen aangebracht in het ontslagrecht en de regels voor flexibele arbeid. De kritiek was dat deze wet de verschillen tussen werknemers met een vast en werknemers met een flexibel contract, niet kon wegnemen.

2.

Overheidsfinanciën

Na de val van het kabinet-Rutte I i, in het voorjaar van 2012, sloten de Tweede Kamerfracties van VVD, CDA, D66, GroenLinks en de ChristenUnie een akkoord dat ervoor moet zorgen dat het EMU-tekort i in 2013 binnen de Europese norm van 3% BBP blijft. Dit Begrotingsakkoord 2013, beter bekend als het Lenteakkoord, bevatte o.a. de afspraak om de reeds geplande verhoging van de AOW-leeftijd versneld vanaf 2013 in te voeren. In totaal telde het Lenteakkoord per saldo voor ca. € 12 miljard aan bezuinigingen en lastenverzwaringen.

De PvdA was buiten het Lenteakkoord gebleven, maar ging na de verkiezingen met de VVD regeren in het kabinet-Rutte II. In het regeerakkoord namen VVD en PvdA voor nog eens ca. € 16 miljard (in 2017) aan maatregelen om het begrotingstekort te verkleinen. Ondanks de lastenverzwaringen en de bezuinigingen die in de jaren daarvoor waren opgestart, bleek in 2013 wederom dat het begrotingstekort zich niet goed ontwikkelde. Met D66, ChristenUnie en SGP (deze partijen zijn nodig om de coalitie aan een meerderheid te helpen in de Eerste Kamer i) moest een akkoord worden gesloten voor een pakket van € 6 miljard aan nieuwe besparingsmaatregelen voor de begroting over 2014. In de jaren daarna herstelden de overheidsfinanciën zozeer dat het kabinet in de Miljoenennota i 2016 (september 2015) een lastenverlichting van € 5 miljard kon aankondigen. Een jaar later overtrad het kabinet zelfs zijn eigen (en van alle voorgaande kabinetten sinds 1994) belangrijkste begrotingsregel door het uitgavenkader voor de begroting 2017 te verruimen om extra uitgaven te kunnen doen.

Al met al heeft minister Dijsselbloem (Financiën) kans gezien het EMU-tekort terug te brengen van 3,9% BBP in 2012 tot een verwacht overschot van 0,6% in 2017. Uit CPB-berekeningen voor de volgende kabinetsperiode bleek ook dat de overheidsfinanciën houdbaar waren gemaakt voor de lange termijn, tenzij de zorguitgaven weer hard zouden gaan stijgen. In dit opzicht kan het kabinetsbeleid als succesvol worden beschouwd. Volgens berekeningen van het CPB heeft het Lenteakkoord de economie per jaar 0,3%-punt economische groei gekost en het EMU-saldo met 0,5%-punt verbeterd. Het regeerakkoord kostte 0,2%-punt economische groei en heeft het EMU-saldo 1,2%-punt verbeterd, terwijl het € 6 miljardpakket 0,3%-punt economische groei kostte en een 0,4%-punt beter EMU-saldo opleverde. Het € 5 miljard lastenverlichtingspakket daarentegen leverde 0,3%-punt extra groei op en verslechterde het EMU-saldo met 0,6%-punt.

3.

Hervormingen

Behalve een afspraak over versnelde verhoging van de AOW-leeftijd bevatte het Lenteakkoord ook een afspraak over het beperken van de hypotheekrenteaftrek. Op basis van dit plan, waarover in 2013 in het zgn. Woonakkoord nog enkele aanvullende afspraken tussen minister Blok i en D66, ChristenUnie en SGP werden gemaakt, hervormde het kabinet-Rutte II de woningmarkt door onder andere te regelen dat een hypothecaire lening ten minste annuïtair moet worden afgelost om voor hypotheekrenteaftrek in aanmerking te komen.

In 2015 hevelde het kabinet voor ca. € 10 miljard aan rijksbeleid over naar gemeenten in het kader van drie decentralisaties: in het kader van de Participatiewet (arbeidsmarkt en beschut werk), de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) en de Jeugdwet. De decentralisaties waren tegelijkertijd een bezuinigingsoperatie. De invoering van de Wmo 2015 was onderdeel van een grootschalige hervorming van de langdurige zorg (HLZ), waarin de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) werd opgesplitst in de Wmo 2015 (uitgevoerd door gemeenten), wijkverpleging (uitgevoerd door zorgverzekeraars in het kader van de Zorgverzekeringswet) en de nieuwe Wet langdurige zorg (Wlz), waar o.a. de verpleeghuiszorg onder valt. Een deel van de voormalige AWBZ-zorg kwam door de HLZ te vervallen. Wel zwakte staatssecretaris Van Rijn i de omvang van de bezuinigingen gedurende de kabinetsperiode iets af.

Minister Schippers i (Volksgezondheid, Welzijn en Sport) wist de in de jaren voor de crisis onstuimig groeiende uitgavengroei in de medisch-specialistische zorg onder controle te krijgen door een hoofdlijnenakkoord met de zorgsector te sluiten. Dit leverde een belangrijke bijdrage aan het weer beheersbaar maken van de overheidsuitgaven, maar mogelijk hebben de recessie en lage economische groei gedurende een groot deel van de kabinetsperiode ook bijgedragen aan de bescheiden groei van de zorguitgaven.

Aan het eind van de kabinetsperiode nam staatssecretaris Van Rijn maatregelen om de kwaliteit van de verpleeghuiszorg te verbeteren. De kosten hiervan zouden oplopen tot meer dan € 2 miljard per jaar in de volgende kabinetsperiode. Op verzoek van informateur Zalm loodste demissionair minister Schippers, anticiperend op een regeerakkoortafspraak hierover tussen VVD, CDA, D66, en de ChristenUnie, een wet door de Kamer die het eigen risico in de Zorgverzekeringswet bevroor op € 385,- per jaar. Dit ondanks dat minister Schippers aangaf zelf er voorstander van te zijn het eigen risico mee te laten stijgen met de zorguitgaven.

4.

Kerncijfers

 

Mutatie (%), tenzij anders vermeld

2012

2013

2014

2015

2016

2017

Gem.

Verschil 2017-2012

BBP (niveau, mrd €)

645,2

652,7

663,0

683,5

702,6

733,4

680,1

88,2

BBP

-1,1

-0,2

1,4

2,3

2,2

3,3

1,3

4,4

Arbeidsproductiviteit bedrijven (per uur) (%)

-0,1

1,0

0,9

1,5

0,4

1,5

0,9

1,6

Relevante wereldhandel

1,3

2,7

4,4

3,8

3,6

4,3

3,4

3,0

Wereldhandelsvolume

3,1

3,4

3,4

2,4

2,1

4,0

3,1

0,9

Wereldeconomie

3,5

3,4

3,4

3,4

3,2

3,4

3,4

-0,1

Overheidsfinanciën

 

% BBP

2012

2013

2014

2015

2016

2017

Gem.

Verschil 2017-2012

EMU-saldo

-3,9

-2,4

-2,3

-2,1

0,4

0,6

-1,6

4,5

EMU-schuld

66,3

67,8

68,0

64,6

61,8

57,2

64,3

-9,1

Bruto collectieve uitgaven

47,1

46,9

46,4

45,2

43,8

43,0

45,4

-4,1

Collectieve lasten

36,0

36,5

37,5

37,3

38,7

38,8

37,5

2,8

Lonen en prijzen

 

%, tenzij anders vermeld

2012

2013

2014

2015

2016

2017

Gem.

Verschil 2017-2012

Inflatie (hicp) (%)

2,8

2,6

0,3

0,2

0,1

1,3

1,2

-1,5

Inflatie (CPI) (%)

2,5

2,5

1,0

0,6

0,3

1,4

1,4

-1,1

Arbeidsinkomensquote

73,5

73,8

74,1

72,2

72,9

72,5

73,2

-1,0

Olieprijs (USD/vat)

110,4

107,1

97,9

51,9

43,3

49,3

76,7

-61,1

Contractloonmutatie marktsector

1,6

1,2

1,0

1,2

1,5

1,6

1,4

0,0

Arbeidsmarkt en sociale zekerheid (1)

 

Dzd, tenzij anders vermeld

2012

2013

2014

2015

2016

2017

Gem.

Verschil 2017-2012

Werkloosheid (%)

5,8

7,3

7,4

6,9

6,0

4,9

6,4

-0,9

Werkloosheid (personen)

516

647

660

614

538

440

569,2

-76,0

Groei werkgelegenheid (uren) (%)

-0,9

-0,9

0,7

0,6

2,0

2,0

0,6

2,9

Werkloosheidsuitkeringen (uitkeringsjaren)

262

335

364

339

333

285

319,5

23,4

Bijstand (WWB/IOAW/IOAZ) (personen)

331

362

388

403

419

420

387,2

89,1

Werkloosheids- + bijstandsuitkeringen

593

697

752

742

752

705

706,7

112,5

Arbeidsongeschiktheidsuitkeringen (uitkeringsjaren)

666

667

672

672

671

675

670,5

9,3

Uitkeringen ziekte (uitkeringsjaren)

315

302

293

295

295

305

301,0

-10,3

Arbeidsmarkt en sociale zekerheid (2)

 

%

2012

2013

2014

2015

2016

2017

Gem.

Verschil 2017-2012

i/a-ratio

66,0

69,2

70,8

70,9

70,5

68,9

69,4

2,8

Bruto participatiegraad 20-64 jaar

76,5

76,8

76,5

77,2

77,4

77,4

77,0

0,9

Bruto participatiegraad 15-74

70,5

70,5

70,1

70,2

70,0

70,1

70,2

-0,4

Netto participatiegraad 15-74

66,4

65,4

64,9

65,4

65,8

66,7

65,8

0,3

 

Meer over