Het aftreden van een politieke krullenjongen

30 mei 2008, column Bert van den Braak

Bij de grondwetsherziening van 1948 werd het ambt van staatssecretaris in het leven geroepen. Zonder de ministerraad te hoeven uitbreiden, konden zodoende politieke functionarissen worden benoemd met een eigen taakgebied. Aanvankelijk was voorzien dat daardoor het aantal ministers zou kunnen worden beperkt, in de praktijk pakte dat anders uit. De staatssecretaris heeft een eigen politieke verantwoordelijkheid. Hij opereert weliswaar op basis van ministeriële aanwijzing, maar de minister hoeft zijn staatssecretaris niet politiek te dekken en kan deze zelfs desavoueren.

Dat de staatssecretaris zich niet achter de minister kon verschuilen, bleek zonneklaar in 1958. In dat jaar werden er problemen geconstateerd bij de Nederlandse defensie, meer in het bijzonder bij het Directoraat Materiaal Landmacht (DML). Dat directoraat had bij een blikfabriek in Doesburg een order geplaatst voor 400.000 helmen. Na enige tijd bleken die ondeugdelijk te zijn, omdat ze scheurden. Die fout was tijdens de keuring door DML niet aan het licht gekomen. Dat gebeurde pas bij het gebruik door mariniers in Nieuw-Guinea.

Korte tijd later bleken er ook problemen te zijn met ventielen van gasmaskers en met het laadvermogen van voertuigen. Tevens speelde tezelfdertijd een rechtzaak tegen een ambtenaar van het DML, majoor Koopman ('majoor K.'), over het aannemen van steekpenningen. Tijdens die rechtzaak verklaarden (voormalige) ambtenaren van het DML dat er van alles mis was bij dit directoraat. Voor VVD-Tweede Kamerlid Ritmeester i was dit aanleiding om minister Staf i en staatssecretaris Kranenburg i, die verantwoordelijk was voor het materiaalbeleid op defensie, op 23 april 1958 te interpelleren.

Tijdens de interpellatie kon minister Staf niet anders doen dan de berichten over het DML te beamen. Tussen het directoraat en de Verenigde Blik Fabrieken (Verblifa) in Doesburg hadden zulke nauwe banden bestaan, dat productie en toezicht onvoldoende gescheiden waren geweest. Dit had echter, aldus de minister, al in 1956 tot een reorganisatie geleid. De Kamer leek daardoor in zekere zin gerustgesteld, maar stuurde niettemin aan op een onderzoek.

En staatssecretaris Kranenburg? Die was tijdens de interpellatie afwezig vanwege een bezoek aan de Verenigde Staten in verband met de aanschaf van raketten. Dat leidde tot ernstige kritiek, vooral van de VVD-fractie. Het verweer op 7 mei van de inmiddels teruggekeerde staatssecretaris, dat zijn ambtsplicht hem had opgedragen naar de VS te gaan, werd door VVD-fractievoorzitter Oud i niet geaccepteerd. De staatssecretaris had eventueel om uitstel van de interpellatie kunnen vragen. Oud concludeerde dat de staatssecretaris niet voor zijn taak berekend was en maar beter kon aftreden. Bijval voor die opvatting kreeg hij echter niet. Via een motie van de PvdA'er Vermeer i werd besloten tot een parlementair onderzoek. Een motie-Ritmeester waarin om een extern onderzoek werd gevraagd, werd met 103 tegen 17 stemmen verworpen.

Het politieke leven van de staatssecretaris leek aldus - zeker voorlopig - te zijn gered. De Eerste Kamer dacht daar echter anders over. Tijdens de behandeling van de defensiebegroting in de Senaat, op 20 mei, opende KVP-woordvoerder De Gou i de aanval op Kranenburg. Hij vreesde dat de staatssecretaris onvoldoende doordrongen was van zijn politieke verantwoordelijkheid voor de misstanden. Zijn afwezigheid bij de interpellatie-Ritmeester en het feit dat hij rustig op zijn stoel bleef zitten, wezen daarop. De Gou zei: "Een dergelijke handelwijze kan men verwachten van een politieke krullenjongen, maar niet van een staatssecretaris" (de term krullenjongen was een plaagstoot aan het adres van PvdA-fractieleider Burger i die op 28 april tijdens een kaderdag van de PvdA KVP-minister Witte als zodanig had betiteld). De Gou vroeg aan Kranenburg zich te beraden op zijn positie. Uiteraard viel VVD-woordvoerder Van Riel i De Gou bij.

Van de zijde van de PvdA werden vraagtekens gezet bij het optreden van De Gou. Lag het wel op de weg van de Eerste Kamer, zo vroeg fractievoorzitter In 't Veld i, om een eigen politieke koers te bepalen, daar waar de Tweede Kamer eerder al een bepaalde lijn had uitgestippeld?

De positie van minister Staf bleef bij dit alles niet onbesproken. VVD-senator Van Riel vond dat ook hij diende af te treden. Die opvatting werd echter nauwelijks gedeeld. Alleen de PvdA vond dat beide bewindspersonen zich op hun positie dienden te beraden, maar de verhouding met Staf werd niet op scherp gezet. Kranenburg zegde toe zich te beraden; een beraad dat op 24 mei uitmondde in zijn ontslagaanvrage.

De staatsrechtelijke positie van de staatssecretaris werd daarmee gemarkeerd. Tevens bleek dat er een zekere vertrouwensrelatie bestaat tussen bewindspersonen en de Eerste Kamer. Dat dit echter een 'sluimerende' relatie is, kan worden afgeleid uit het feit dat nadien nimmer een staatssecretaris door de Senaat is weggezonden. De val van Kranenburg moet dan ook vooral worden gezien in het licht van de naderende breuk tussen 'rooms' en 'rood', in november 1958.