Voorstel van wet - Wijziging van de Wet inburgering en enkele andere wetten in verband met het toevoegen van het onderdeel participatieverklaring aan het inburgeringsexamen en de wettelijke vastlegging van de maatschappelijke begeleiding

Dit voorstel van wet i is onder nr. 2 toegevoegd aan wetsvoorstel 34584 - Toevoeging participatieverklaring aan het inburgeringsexamen en wettelijke vastlegging van maatschappelijke begeleiding i.

1.

Kerngegevens

Officiële titel Voorstel van wet - Wijziging van de Wet inburgering en enkele andere wetten in verband met het toevoegen van het onderdeel participatieverklaring aan het inburgeringsexamen en de wettelijke vastlegging van de maatschappelijke begeleiding
Document date 24-10-2016
Publication date 02-05-2018
Reference 34584, nr. 2
External link original article

2.

Text

Voorstel van wet

tot wijziging van de Wet inburgering en enkele andere wetten in verband met het toevoegen van het onderdeel participatieverklaring aan het inburgeringsexamen en de wettelijke vastlegging van de maatschappelijke begeleiding

 

Allen die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is het inburgeringsexamen uit te breiden met de participatieverklaring en de maatschappelijke begeleiding wettelijk vast te leggen;

Zo is het dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Artikel I Wet inburgering

De Wet inburgering wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 1, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:

  • 1. 
    Aan het slot van onderdeel d wordt toegevoegd: , eerste lid.
  • 2. 
    In onderdeel f wordt ‘tweede lid, onderdeel a’ vervangen door: eerste lid, onderdeel a.
  • 3. 
    Onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel h door een puntkomma, worden een onderdeel toegevoegd, luidende:
  • i. 
    college: het college van burgemeesters en wethouders van de gemeente waar de inburgeringsplichtige woonplaats heeft als bedoeld in de artikelen 10, eerste lid, en 11 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek.

B

In artikel 3, derde lid, wordt ‘artikel 21, eerste lid, onderdeel b’ vervangen door: artikel 21, eerste lid, onderdeel f.

C

Artikel 5 wordt als volgt gewijzigd:

  • 1. 
    In het tweede lid, onderdeel d, vervalt ‘als bedoeld in artikel 7’.
  • 2. 
    In het derde lid wordt ‘bedoeld in artikel 7’ vervangen door: bedoeld in artikel 7, tweede lid, onderdelen b en c’.

D

Artikel 6 wordt als volgt gewijzigd:

  • 1. 
    Het eerste lid komt te luiden:
  • 1. 
    Onze Minister ontheft de inburgeringsplichtige van de inburgeringsplicht, indien de inburgeringsplichtige heeft aangetoond door een psychische of lichamelijke belemmering, dan wel een verstandelijke handicap, blijvend niet in staat te zijn het inburgeringsexamen te behalen.
  • 2. 
    Onder vernummering van het tweede en derde lid tot derde en vierde lid, wordt een lid ingevoegd, luidende:
  • 2. 
    Onze Minister ontheft de inburgeringsplichtige van de onderdelen uit het inburgeringsexamen, bedoeld in artikel 7, tweede lid, onderdelen b en c, waarvan, op grond van door de inburgeringsplichtige aangetoonde geleverde inspanningen, blijkt dat hij redelijkerwijs niet aan deze onderdelen kan voldoen.

E

De artikelen 7 tot en met 8 komen te luiden:

Artikel 7

  • 1. 
    De inburgeringsplichtige behaalt:
  • a. 
    het inburgeringsexamen, of
  • b. 
    een diploma, certificaat of ander document, bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdeel c.
  • 2. 
    Het inburgeringsexamen bestaat uit de volgende onderdelen:
  • a. 
    het participatieverklaringstraject;
  • b. 
    de examinering van mondelinge en schriftelijke vaardigheden in de Nederlandse taal op ten minste het niveau A2 van het Europese Raamwerk voor Moderne Vreemde Talen, en
  • c. 
    de examinering van de kennis van de Nederlandse samenleving.
  • 3. 
    Het college biedt het participatieverklaringstraject, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, aan.
  • 4. 
    Onze Minister biedt de onderdelen van het inburgeringsexamen, bedoeld in het tweede lid, onderdelen b en c, aan.

Artikel 7a

  • 1. 
    De inburgeringsplichtige rondt binnen één jaar het participatieverklaringstraject, bedoeld in artikel 7, tweede lid, onderdeel a, af.
  • 2. 
    De termijn van één jaar, genoemd in het eerste lid, vangt aan op het moment dat de vreemdeling inburgeringsplichtig is en ingeschreven is in de basisregistratie personen, met dien verstande dat indien hij rechtmatig verblijf heeft op grond van een verblijfsvergunning asiel bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000, het gaat om de inschrijving in de gemeente waar hij op grond van artikel 28 van de Huisvestingswet 2014 is gehuisvest.
  • 3. 
    Onze Minister verlengt de termijn van één jaar, genoemd in het eerste lid, indien de inburgeringsplichtige aannemelijk maakt dat hem geen verwijt treft ter zake van het niet tijdig afronden van het participatieverklaringstraject, bedoeld in artikel 7, tweede lid, onderdeel a.

Artikel 7b

  • 1. 
    De inburgeringsplichtige behaalt binnen drie jaar de onderdelen van het inburgeringsexamen, bedoeld in artikel 7, tweede lid, onderdelen b en c.
  • 2. 
    De termijn van drie jaar, genoemd in het eerste lid, vangt aan op het moment dat de vreemdeling inburgeringsplichtig wordt.
  • 3. 
    Onze Minister verlengt de termijn van drie jaar, genoemd in het eerste lid:
  • a. 
    indien de inburgeringsplichtige aannemelijk maakt dat hem geen verwijt treft ter zake van het niet tijdig behalen van deze onderdelen van het inburgeringsexamen, of
  • b. 
    eenmalig met ten hoogste twee jaren, indien aantoonbaar een alfabetiseringscursus wordt of is gevolgd voor het verstrijken van die termijn.

Artikel 8

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld omtrent:

  • a. 
    de verdere verlenging van de termijnen, bedoeld in de artikelen 7a, eerste lid, en 7b, eerste lid, en de toepassing van de artikelen 7a, derde lid, en 7b, derde lid;
  • b. 
    het afnemen van het inburgeringsexamen;
  • c. 
    de inhoud en vormgeving van het inburgeringsexamen;
  • d. 
    de ter zake van het inburgeringsexamen verschuldigde kosten;
  • e. 
    de identificatie van de persoon die aan het inburgeringsexamen deelneemt;
  • f. 
    de examencommissie, en
  • g. 
    het diploma.

F

Aan hoofdstuk 3 wordt na artikel 12 een artikel toegevoegd, luidende:

Artikel 12a

  • 1. 
    Zolang op grond van artikel 9 geen regels zijn gesteld over de afgifte van een certificaat verleent Onze Minister, of een door Onze Minister aangewezen instelling, een keurmerk aan cursusinstellingen.
  • 2. 
    Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld omtrent de aanwijzing van een instelling en de verlening van een keurmerk aan cursusinstellingen.

G

In artikel 16, eerste lid, wordt ‘het examen, bedoeld in artikel 7, tweede lid, onderdeel a’ vervangen door: het inburgeringsexamen.

H

Artikel 17 wordt als volgt gewijzigd:

  • 1. 
    Het eerste lid komt te luiden:
  • 1. 
    De terugbetalingsperiode vangt aan zes maanden nadat de termijn, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, of artikel 7b, eerste lid, is verstreken, waarbij wordt uitgegaan van de laatst verstreken termijn. Indien eerder aan de inburgeringsplicht is voldaan, vangt de termijn aan zes maanden na het voldoen aan de inburgeringsplicht.
  • 2. 
    Onder vernummering van het tweede en derde lid tot derde en vierde lid, wordt een lid ingevoegd, luidende:
  • 2. 
    Indien de termijn, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, of artikel 7b, eerste lid, met toepassing van artikel 7a, derde lid, artikel 7b, derde lid, of van de bij of krachtens artikel 8, aanhef en onderdeel a, gestelde regels is verlengd en later is gelegen dan de termijn bedoeld in het eerste lid, vangt de terugbetalingsperiode aan zes maanden nadat die termijn is verstreken.

I

Na hoofdstuk 5 wordt een hoofdstuk ingevoegd, luidende:

Hoofdstuk 5a. Maatschappelijke begeleiding

Artikel 18

  • 1. 
    Het college voorziet in de maatschappelijke begeleiding van de inburgeringsplichtige die rechtmatig verblijf heeft op grond van een:
  • a. 
    verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, of
  • b. 
    verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, verleend onder een beperking verband houdend met verblijf als familie- of gezinslid, voor verblijf bij:

1°. een houder van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd,

2°. een houder van een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd, of

3°. een houder van een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen die is verleend met een aantekening inzake internationale bescherming als bedoeld in artikel 45c, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.

  • 2. 
    De maatschappelijke begeleiding vangt aan op het moment dat de vreemdeling inburgeringsplichtig is en ingeschreven is in de basisregistratie personen, met dien verstande dat indien hij rechtmatig verblijf heeft op grond van een verblijfsvergunning asiel bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000, het gaat om de inschrijving in de gemeente waar hij op grond van artikel 28 van de Huisvestingswet 2014 is gehuisvest.
  • 3. 
    Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld omtrent de inhoud en vormgeving van de maatschappelijke begeleiding.

J

In hoofdstuk 6 worden voor artikel 31 drie artikelen ingevoegd, luidende:

Artikel 28

Onze Minister legt een bestuurlijke boete op aan de inburgeringsplichtige die het participatieverklaringstraject, bedoeld in artikel 7, tweede lid, onderdeel a, niet binnen de in artikel 7a, eerste lid, genoemde termijn, of de met toepassing van artikel 7a, derde lid, of van de krachtens artikel 8, aanhef en onderdeel a, gestelde regels verlengde termijn, heeft afgerond.

Artikel 29

Onze Minister stelt in de boetebeschikking, bedoeld in artikel 28, een nieuwe termijn van ten hoogste één jaar waarbinnen de inburgeringsplichtige na het bekendmaken van de boetebeschikking alsnog het participatieverklaringstraject, bedoeld in artikel 7, tweede lid, onderdeel a, moet afronden.

Artikel 30

  • 1. 
    Onze Minister legt de inburgeringsplichtige die niet binnen de krachtens artikel 29 vastgestelde termijn het participatieverklaringstraject, bedoeld in artikel 7, tweede lid, onderdeel a, heeft afgerond, een bestuurlijke boete op. Artikel 29 is van overeenkomstige toepassing.
  • 2. 
    Zolang de inburgeringsplichtige na het verstrijken van de krachtens het eerste lid gestelde termijn het participatieverklaringstraject, bedoeld in artikel 7, tweede lid, onderdeel a, niet afrondt, legt Onze Minister ieder jaar een bestuurlijke boete op.

K

Artikel 31, eerste lid, komt te luiden:

  • 1. 
    Onze Minister legt een bestuurlijke boete op aan de inburgeringsplichtige die de onderdelen van het inburgeringsexamen, bedoeld in artikel 7, tweede lid, onderdelen b en c, niet binnen de in artikel 7b, eerste lid, genoemde termijn, of de met toepassing van artikel 7b, derde lid, of van de krachtens artikel 8, aanhef en onderdeel a, gestelde regels verlengde termijn, heeft behaald.

L

In artikel 32 wordt ‘aan de inburgeringsplicht moet voldoen’ vervangen door: de onderdelen van het inburgeringsexamen, bedoeld in artikel 7, tweede lid, onderdelen b en c, moet behalen.

M

Artikel 33 wordt als volgt gewijzigd:

  • 1. 
    In het eerste lid wordt ‘aan de inburgeringsplicht heeft voldaan’ vervangen door: de onderdelen van het inburgeringsexamen, bedoeld in artikel 7, tweede lid, onderdelen b en c, heeft behaald.
  • 2. 
    In het tweede lid wordt ‘niet voldoet aan de inburgeringsplicht’ vervangen door: de onderdelen van het inburgeringsexamen, bedoeld in artikel 7, tweede lid, onderdeel b en c, niet behaalt.

N

Artikel 34 komt te luiden:

Artikel 34

De bestuurlijke boete kan niet hoger zijn dan:

  • a. 
    € 340 voor het niet naleven van artikel 7a, eerste lid;
  • b. 
    € 340 voor het niet afronden van het participatieverklaringstraject, bedoeld in artikel 7, tweede lid, onderdeel a, binnen de bij of krachtens de artikelen 29 en 30 gestelde termijnen;
  • c. 
    € 1250 voor het niet naleven van artikel 7b, eerste lid;
  • d. 
    € 1250 voor het niet behalen van de onderdelen van het inburgeringsexamen, bedoeld in artikel 7, tweede lid, onderdelen b en c, binnen de bij of krachtens de artikelen 32 en 33 gestelde termijnen.

O

Artikel 36 vervalt.

P

Artikel 47 wordt als volgt gewijzigd:

  • 1. 
    In het eerste lid en het tweede lid, onderdelen a, c, e en f, wordt ‘die van belang zijn’ vervangen door: die noodzakelijk zijn.
  • 2. 
    In het tweede lid, onderdeel a, wordt ‘Onze Minister en’ vervangen door: Onze Minister, het college en.

Q

In de artikelen 49 en 50, eerste lid, wordt ‘Onze Minister en’ vervangen door: Onze Minister, het college en.

Artikel II Vreemdelingenwet 2000

De Vreemdelingenwet 2000 wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 16a, eerste lid, wordt ‘artikel 7, tweede lid, onderdeel a, van de Wet inburgering’ vervangen door: artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van de Wet inburgering.

B

In artikel 18, eerste lid, onderdeel i, vervalt: , binnen de in dat artikel genoemde termijn, of binnen de met toepassing van artikel 7, derde lid, van die wet of van de krachtens artikel 7, vierde lid, aanhef en onderdeel a, van die wet gestelde regels verlengde termijn.

C

In artikel 21, eerste lid, onderdeel g, wordt ‘artikel 7, tweede lid, onderdeel a, van de Wet inburgering’ vervangen door: artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van de Wet inburgering.

D

In artikel 34, eerste lid, wordt ‘artikel 7, tweede lid, onderdeel a, van de Wet inburgering’ vervangen door: artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van de Wet inburgering.

E

In artikel 45b, tweede lid, onderdeel g, wordt ‘artikel 13’ vervangen door: artikel 7, eerste lid, onderdeel a,.

Artikel III Participatiewet

In artikel 18b, tweede lid, onderdeel b, van de Participatiewet wordt ‘geen diploma inburgering als bedoeld in artikel 7, tweede lid, onderdeel a’ vervangen door: geen inburgeringsdiploma als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a.

Artikel IV Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen

In artikel 1.6, eerste lid, onderdeel g, van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen wordt ‘artikel 7, tweede lid, onderdeel a, van die wet’ vervangen door: artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van die wet.

Artikel V Wet op het onderwijstoezicht

In de artikelen 24n, onderdeel e, en 24o, tweede lid, onderdeel e, van de Wet op het onderwijstoezicht wordt ‘artikel 13, eerste lid’ vervangen door: artikel 7, eerste lid.

Artikel VI Overgangsrecht

  • 1. 
    Artikel I, onderdelen A, C tot en met E, de onderdelen G en H en de onderdelen J tot en met N, artikel II, onderdelen A tot en met D, alsmede artikel III en artikel IV, zijn niet van toepassing op de inburgeringsplichtige, wiens inburgeringsplicht uiterlijk de dag voor de datum van inwerkingtreding van deze wet is gestart.
  • 2. 
    Artikel I, onderdeel I, is niet van toepassing op de inburgeringsplichtige die op de dag voor de datum van inwerkingtreding van deze wet is ingeschreven in de basisregistratie personen, met dien verstande dat indien hij rechtmatig verblijf heeft op grond van een verblijfsvergunning asiel bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000, het gaat om de inschrijving in de gemeente waar hij op grond van artikel 28 van de Huisvestingswet 2014 is gehuisvest.

Artikel VII Inwerkingtreding

Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

De Minister van Sociale Zaken

en Werkgelegenheid,

L.F. Asscher

 

7


 
 
 

3.

More information

 

4.

EU Monitor

The EU Monitor enables its users to keep track of the European process of lawmaking, focusing on the relevant dossiers. It automatically signals developments in your chosen topics of interest. Apologies to unregistered users, we can no longer add new users.This service will discontinue in the near future.