Bijdrage Roel Kuiper aan debat over WMO

Source: R. (Roel) Kuiper i, published on Tuesday, July 8 2014, 10:18.

Voorzitter,

Op 1 januari 2007, ruim zeven jaar geleden, werd de Wmo van kracht. Deze wet bracht de oude Welzijnswet en enkele andere wetten onder bij gemeenten, samen met delen van de AWBZ. De Wmo stond voor vermaatschappelijking en lokalisering van zorg en welzijn. Gemeenten kregen een integrale verantwoordelijkheid op het gebied van preventie, ondersteuning van mantelzorgers, jeugdbeleid, verslavingszorg, maatschappelijke opvang. Dit alles werd samengevat in negen prestatievelden. De ontschotting van beleid en de mogelijkheid integraal te werken werd in latere jaren uitgebreid, onder meer door toevoeging van arbeidstoeleiding, uitkeringsbeleid, bijstandsbeleid aan de bevoegdheden van gemeenten. In deze jaren is de gemeente uitgegroeid tot een belangrijk niveau waarop beleid wordt vormgegeven en uitgevoerd. Over het algemeen zijn gemeenten daar positief over en weten zij ook vorm te geven aan de bedoelingen van de filosofie achter de Wmo.

De filosofie van de Wmo beperkte zich niet tot de overheid, maar omvatte ook de burger. Het ging om het verkrijgen van meer sociale samenhang, sterkere betrokkenheid van burgers op elkaar, meer participatie. Er is wel eens geklaagd dat de Wmo toch weer een verhaal werd van loketten, voorzieningen en teveel nadruk op het instrumentarium van de uitvoering, dus toch weer verticaal gedacht en ingericht. Maar onmiskenbaar is in de loop der jaren zich meer gaan aftekenen van nieuwe horizontale verhoudingen: initiatief van onderop, meer hulp en steun in buurt en wijk, aandacht voor de mantelzorger en vrijwilliger, sociaal burgerschap en het besef dat de samenleving soms ook gewoon zelf aan zet is. Hiervoor moet uiteraard ruimte ontstaan, soms ook bevochten worden, maar die ruimte komt er nu meer en meer.

De Wmo 2015 trekt deze lijnen door. Er is niet sprake van een principieel nieuwe richting, maar de Wmo 2015 borduurt voort op de basis en de filosofie die we al kennen. Het CDA heeft daar een grote bijdrage aan geleverd in de jaren waarin zij in de regering zat. De Wmo is ingevoerd door staatssecretaris mevrouw Ros-Van Dorp (CDA) en drukt destijds al uit wat de laatste Troonrede nu in de mond legt van een PvdA-VVD-kabinet: van verzorgingsstaat naar participatiesamenleving. Daar moet wel verdere invulling aan worden gegeven. Deze staatssecretaris spreekt graag over een ‘dienstbare overheid’. Mijn partij doet dat ook, maar spreekt daarbij ook van een ‘dienstbare samenleving’. Het samenspel tussen die beide, tussen overheid en burgers en hun verbanden moet zich verder gaan ontwikkelen de komende jaren. Dit is een belangrijk voor de voorziene ‘transitiebeweging’, die dus van twee kanten vorm moet krijgen.

Met deze inleiding markeer ik dat we vandaag niet alleen spreken over een enkele wet, maar over een maatschappelijke verandering, een nieuwe verdeling van verantwoordelijkheden tussen overheid en samenleving. Mijn fractie steunt die beweging, die ook weer nieuwe krachten in de samenleving los kan maken en lokale gemeenschappen sterker kan maken. Dit moet wel gepaard gaan met een herleving van een nieuw verantwoordelijkheidsbesef, het aanboren van sociaal en moreel kapitaal. Het moet ook normaler worden dat mensen elkaar helpen en ondersteunen bij alledaagse problemen. Dat is geen teken van zwakte, maar van kracht. Op deze transitie doelde de MO-groep in haar brief en ik zou het op prijs stellen als de staatssecretaris kort wil reflecteren op dit aspect van een nieuwe bezinning op maatschappelijke verantwoordelijkheid. De Wmo is een wet met een visie en die visie zal het gezicht van Nederland, vooral in de gemeentelijke setting, blijvend veranderen.

Voorzitter, mijn fractie heeft een aantal thema’s die ze nog wil bespreken in dit debat. Over het tempo van de invoering allereerst dit. Het zal hard werken zijn voor gemeenten om voor 1 januari klaar te zijn, maar er is voor hen simpelweg geen weg terug, gemeenten willen en moeten door, en gemeenten hebben de manier waarop ze de wet implementeren in eigen hand. Gemeenten zijn niet onbekend met de Wmo, deze bestaat immers al en de filosofie erachter ook; gemeenten kunnen een aantal lijnen nu doortrekken en kunnen bovendien voor het nieuwe takenpakket 2015 als opstart- en overgangsjaar gebruiken. Anders ligt het voor partijen en aanbieders die in de knel komen, doordat alles zo snel gaat en een deel van de gemeenten nog niet weet hoe ze alles wil regelen. De situatie bij de MEE-organisatie illustreert dit probleem en ik wil hierop graag de visie van de staatssecretaris horen.

Een volgend thema betreft de is wat er precies gaat gebeuren in de beleidsplannen en verordeningen die gemeenten gaan vaststellen. Dit moeten instrumenten zijn, enerzijds om vrijwilligers en mantelzorgers te ondersteunen en de vermaatschappelijking van de zorg vorm te laten krijgen, maar anderzijds ook om burgers die zorg moeten ontvangen deze ook te laten krijgen. Er is gemeentelijke autonomie, en die is ook principieel belangrijk, maar beleidskeuzen moeten niet leiden tot een verslechtering van de kwaliteit van zorg, zeker niet in die gevallen waarin mensen sterk afhankelijk zijn van zorg of de keuzevrijheid willen hebben voor bepaalde vormen van zorg.

Kan de staatssecretaris in dit verband ingaan op het krachtenveld dat zal ontstaan rondom die gemeentelijke zorg? Naast gemeenten nemen daar zorgaanbieders en zorgverzekeraars aan deel. Wat wordt ieders rol daarin en welke verhouding gaat er ontstaan tussen zorgverzekeraars en gemeenten, maar ook tussen zorgvragers en zorgaanbieders? Vooral de specifieke en complexe vormen van zorg mogen niet in de knel komen. Het risico zou kunnen zijn dat gemeenten complexe en dus dure zorg kwijt willen en deze over de schutting willen kieperen van zorgverzekeraars, die daarop reageren met verhoging van premies. Zorgverzekeraars zijn geen zorgaanbieders, maar dienen wel bepaalde vormen van zorg straks te garanderen, zoals thuiszorg en wijkverpleging. Graag willen we een duidelijker beeld krijgen van deze verhoudingen.

In dit verband willen we vragen naar de positie van de zorgvrager. In het geval van een maatwerkvoorziening is er geen recht om op terug te vallen. Toch moeten burgers in deze positie op kunnen komen voor wat hen toekomt. We hebben al vaker gesproken over de vraag of de burger inderdaad krijgt wat hem of haar ook toekomt. In het geval van de Wmo zou een lokale adviescommissie dienst kunnen doen. Ik varieer hier een beetje op het voorstel dat de SKGZ, de ombudsman en geschillencommissie zorgverzekeringen, heeft gedaan. Ik denk dat ze een punt hebben als wordt aangegeven dat de burger ergens terecht moet kunnen met zijn kant van het verhaal. Gemeenten zouden klachten moeten kunnen voorleggen aan een commissie voor een onafhankelijk advies. Wellicht zou dit ook een landelijk back-up kunnen gebruiken. Wil de staatssecretaris reageren op dit idee?

Kwetsbare groepen moeten ook onder de nieuwe regelingen goed geholpen worden. Dat geldt voor gehandicapten, ouderen, mensen met een aandoening. De staatssecretaris heeft steeds gezegd dat wie een geïndiceerde zorgvraag heeft, ook daadwerkelijk geholpen wordt. In een aantal gevallen hebben gemeenten aanwijzingen gekregen om via regionale samenwerking voor kleine groepen zorg op peil te houden, bijvoorbeeld voor mensen met een visuele handicap of gehoorbeperking. Waarom is in dit verband niet gedacht aan mensen met Niet Aangeboren Hersenletsel, die eveneens aangewezen zijn op soms heel specialistische begeleiding aan huis? Het gaat hier om een groep van 11.000 mensen, die veel baat hebben bij een buurtzorg-achtige benadering. Ook dat is maatwerk. Waarom komt deze groep niet in aanmerking voor een bovengemeentelijke regeling?

In dit verband ook een opmerking over zorg-met-identiteit, waarbij het kan gaan om aanbieders die een kleine doelgroep per gemeente bedienen, denk bijvoorbeeld ook aan het Joods maatschappelijk werk in Amsterdam, klein, kwetsbaar, maar wel cruciaal voor de doelgroep. Er is tijdens het debat over de Jeugdzorg al aandacht geweest voor de landelijk werkende instellingen en het kabinet is op dat punt ook in beweging gekomen. Nu is in deze wet geregeld dat er in gemeenten gerekend moet worden met levensbeschouwelijke identiteit en culturele diversiteit in de zorgvraag zelf. Gemeenten moeten straks in hun beleidsplan ‚in het bijzonder’ aandacht besteden aan de wijze waarop levensbeschouwelijke identiteit en culturele diversiteit een plek krijgen. Hoe gaat de staatssecretaris dit onderdeel van de wet in de praktijk goed borgen? Graag wil ik hier een heel helder antwoord op vernemen.

Een ander thema betreft de privacy van cliëntgegevens van burgers. Er komen straks allerlei gegevens beschikbaar en tal van partijen hebben op een of andere manier toegang tot gevoelige persoonlijke informatie. En als wij de praktijk bij de wet goed begrijpen móeten cliënten die gegevens wel afstaan als ze passende hulp willen krijgen. Waar zo’n de facto verplichting bestaat voor uitwisseling van gegevens, is grote zorgvuldigheid geboden. In een aanpak die ontschotting van beleid op het oog heeft, is de verleiding groot verbindingen te maken. Ambtenaren die toegang hebben tot persoonsgegevens zullen wellicht een nieuwe discipline moeten aanleren. In het licht van nieuwe informatiestromen tussen lokale partners, waarin persoonsgegevens gemakkelijk opgenomen kunnen worden, is het opmerkelijk dat minister Plasterk aangaf wetswijziging niet nodig te vinden. De regering moet mijn fractie daar in ieder geval nog van overtuigen. Graag reactie op dit punt.

Voorzitter, een deel van de verzorgingshuizen in ons land sluit nu. Dat is het gevolg van de beweging die we onder andere in deze wet maken om mensen zolang mogelijk thuis te laten wonen. Maar sluiten we nu geen huizen, die we over een tijd weer nodig zullen hebben? De vergrijzing is nog niet gekeerd. Het aantal ouderen stijgt en ik betwijfel of we de beweging naar langer thuis wonen in zulke grote getale kunnen maken dat dat compenseert voor het aantal benodigde instellingsplekken in de toekomst. Graag reactie. Ik hoor hier ook graag iets over de gevolgen van het wegvallen van verzorgingshuizen voor de sociale structuur daar omheen, die er vaak ook op gericht is om mensen die nog thuis wonen te faciliteren. Dat vormt een extra uitdaging voor gemeenten die langer thuis wonen mogelijk moeten gaan maken.

Dan wil ik ook nog aandacht vragen voor mensen die op niemand kunnen leunen en niet makkelijk in een hokje zijn te vangen. Ik denk aan mensen met een enorme stapeling van problemen, die op straat belanden en aangewezen zijn op maatschappelijke opvang. Het is dankzij organisaties als het Leger des Heils dat deze mensen van de straat worden geplukt en onderdak krijgen. Dat gebeurt vanuit de gedachte: eerst mensen helpen, daarna regelen we wat er geregeld moet worden. En dat is vaak nog een hele klus. Het systeem zit dan soms akelig in de weg, vooral als er meer nodig is dan maatschappelijke opvang alleen. Hoe maakt deze wet het nu makkelijker om dit soort groepen goed en integraal te helpen? Wat is daarin de positie van de centrumgemeenten? Graag een reactie op dit punt.

Als morgenavond duidelijk wordt dat deze wet het staatsblad haalt, dan zal er nog veel moeten gebeuren. De inkoop van gemeenten komt niet overal goed van de grond. De bestuurlijke onzekerheid voor zorgaanbieders leidt ertoe dat sommigen voorbereidingen aan het treffen zijn om mensen te ontslaan en geen contracten meer verlengen. Wat gebeurt er om de precieze inkoop door gemeenten nu snel duidelijk te krijgen? En hoe voorkomen we dat die te lange onduidelijkheid voor zorgaanbieders over contractering jaarlijks terugkeert? De staatssecretaris heeft eind 2013 op basis van de arbeidsmarkteffectrapportage Langdurige Zorg en Ondersteuning aangegeven dat hij verwacht de werkgelegenheidseffecten macro tot en met 2015 met natuurlijk verloop zijn op te vangen. Blijft die verwachting nog overeind?

Voorzitter, gemeenten moeten nu veel wielen gaan uitvinden. In 2007 werd voorzien dat bij de implementatie een aantal patronen van uitvoering zou ontstaan. Er kunnen in het beleid natuurlijk verschillende accenten worden gelegd. Dat hoort inderdaad bij de vrijheid van de gemeenten. Maar verwacht de staatssecretaris dat hierin zekere patronen gaan ontstaan, en zo ja, hoe zien die patronen er dan uit? Er wordt in dit huis vaak gezegd dat we gemeenten moeten vertrouwen en de ruimte moeten geven, maar gemeenten moeten op hun beurt burgers vertrouwen en de ruimte geven. Dat zou mijn fractie zeer toejuichen. Een dienstbare overheid vraagt om een dienstbare samenleving. Hoe ziet de staatssecretaris de route daarnaar toe en zou ook dit debat gemeenten kunnen helpen stippen op de horizon te zien? Wij zien daar naar uit en hopen dat deze wet nieuwe verantwoordelijkheden, nieuwe solidariteit en een werkelijk zorgzame samenleving gaat opleveren. Dat zal een stevige klus worden end e route is niet zonder risico’s. Daarom zien we met grote belangstelling uit naar de antwoorden van de staatssecretaris en de minister.