Lijst van vragen en antwoorden - Vierde Nationaal Milieubeleidsplan

Deze lijst van vragen en antwoorden i is onder nr. 2 toegevoegd aan dossier 27801 - Vierde Nationaal Milieubeleidsplan.

1.

Kerngegevens

Officiële titel Vierde Nationaal Milieubeleidsplan; Lijst van vragen en antwoorden  
Document date 25-10-2001
Publication date 12-03-2009
Nummer KST56380
Reference 27801, nr. 2
From Staten-Generaal (SG)
Commission(s) Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)
Original document in PDF

2.

Text

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Vergaderjaar 2001–2002

27 801

Vierde Nationaal Milieubeleidsplan

Nr. 2

LIJST VAN VRAGEN EN ANTWOORDEN

Vastgesteld 25 oktober 2001

De vaste commissie voor Volkshuisvesting, Ruimtelijke ordening en Milieubeheer1 heeft een aantal vragen voorgelegd aan de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke ordening en Milieubeheer over het Nationaal Milieubeleidsplan 4 (27 801, nr. 1).

Deze vragen en de door de minister gegeven antwoorden zijn hierna afgedrukt.

De voorzitter van de commissie, Th. A. M. Meijer

De griffier voor deze lijst, Brandsema

1 Samenstelling:

Witteveen-Hevinga (PVDA), Van Middelkoop (ChristenUnie), Feenstra (PVDA), Verbugt (VVD), Poppe (SP), Duivesteijn (PVDA), Augusteijn-Esser (D66), Klein Molekamp (VVD), Hofstra (VVD), ondervoorzitter T. H. A. M. Meijer (CDA), voorzitter Luchten-veld (VVD) Van Wijmen (CDA), Kortram (PVDA), Ravestein (D66), Van der Steenhoven (GroenLinks), Van Gent (GroenLinks), Rietkerk (CDA), Oplaat (VVD), Van der Staaij (SGP), Schoenmakers (PVDA), Waalkens (PVDA), Udo (VVD), Mosterd (CDA), J Ten Hoopen (CDA), Depla (PVDA), Dijksma (PVDA), Stellingwerf (ChristenUnie), Valk (PVDA), Van Lente (VVD), De Wit (SP), Van Heemst (PVDA), Scheltema-de Nie (D66), (VVD) Van Beek (VVD), Geluk (VVD), Schreijer-Pierik (CDA), Blok (VVD), Biesheuvel (CDA), Crone (PVDA), Giskes (D66), M. B. Vos (GroenLinks), Halsema (GroenLinks), Van den Akker (CDA), Niederer (VVD), Van ’t Riet (D66), Spoelman (PVDA), Hindriks (PVDA), Snijder-Hazelhoff (VVD), Visser-van Doorn (CDA), Leers (CDA) en De Boer (GroenLinks).

1

Wat is de rol van de burger bij de drie aangekondigde transities?

In het algemeen zal bij transities de nadruk liggen op de burger in zijn rol van consument. De burger als consument zal in vele gevallen door de overheid de vrijheid worden gelaten te kiezen voor meer of minder milieuvriendelijke alternatieven. Internalisering van milieukosten en voorlichting zijn daarbij vereisten om duidelijk te maken dat de minst milieuvriendelijke keuzes hun prijs hebben. Daar waar de burger als consument vrijwel geen keuze heeft (voorbeeld: gebruik van water), is zijn rol als vervuiler dikwijls een onvermijdelijke; het is dan aan de overheid deze rol zo minimaal mogelijk te houden, met name door middel van technologische ontwikkelingen en prijsbeleid.

Op de specifieke rollen van de burger-consument bij de verschillende transities zal worden ingegaan bij de uitwerking van deze transities.

2 en 12

Tijdens de hoorzitting in de Tweede Kamer over het NMP4 bleek dat veel

organisaties wel betrokken waren bij het beginproces van het NMP4, maar

dat halverwege het proces de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke

Ordening en Milieubeheer een geheel eigen koers ging varen. Hoe heeft

de regering zelf de communicatie met de maatschappelijke actoren

ervaren bij de totstandkoming van het NMP4?

Waarom zijn de maatschappelijke organisaties onvoldoende betrokken bij

het NMP4-proces?

De maatschappelijke organisaties verenigd in het zogenaamde contactpersonen overleg NMP4 zijn in de eerste fase van de totstandkoming van het NMP4 nauw betrokken geweest. In deze fase is meerdere malen overlegd met de interdepartementale projectgroep. In deze fase hebben maatschappelijke organisaties een waardevolle bijdrage geleverd aan de gedachtevorming binnen de projectgroep NMP4. Vanaf januari 2001 is op basis van een ambtelijk concept van het NMP4 de fase van politieke besluitvorming ingetreden.

3

In het NMP4 ontbreekt een analyse van de rol van de consument in het

milieubeleid. Hoe ziet de regering deze rol en welke conclusies verbindt zij

daaraan?

De consument levert een belangrijke bijdrage aan het realiseren van het milieubeleid. Door middel van de consumentenbeslissing kunnen milieuvriendelijke producten en diensten worden gestimuleerd. Echter de consument heeft wel informatie nodig om deze keuzes te maken. Hierbij speelt de overheid een belangrijke rol bijvoorbeeld door het internaliseren van de milieuschaarste en het geven van informatie over de gevolgen van bepaalde consumptiebeslissingen. Belangrijk is ook dat het milieubeleid inspeelt op de drijfveren van consumenten. Daarnaast zal in gevallen waarin burgers de keuze tussen milieu en andere belangen als een pijnlijk dilemma ervaren, de overheid zich actief opstellen.

4

Welke relatie bestaat er tussen NMP4 en de uit te brengen nationale strategie voor duurzame ontwikkeling? Waarin komen zij met elkaar overeen en waarin onderscheiden zij zich van elkaar?

Het NMP4 is één van de nota’s die de basis vormen voor de Nationale Strategie voor Duurzame Ontwikkeling. De NSDO kiest als vertrekpunt alle drie de dimensies van duurzame ontwikkeling. Het NMP4 geeft invulling vanuit de ecologische dimensie.

5, 58, 61, 62 en 63

Het convenantenbeleid, met concrete doelstellingen en harde afspraken met maatschappelijke partners, wordt in twijfel getrokken. Kan worden onderbouwd waarom het maken van afspraken met sectoren uit de maatschappij onvoldoende werkt, en kan worden aangegeven welke sectoren succesvol zijn en welke niet, en waarom?

Een overheid die stuurt tot in de haarvaten van de samenleving maakt plaats voor een overheid die kaders en randvoorwaarden stelt en het probleem oplossend vermogen van de samenleving benut. Hoe verhoudt zich deze visie tot de kritische opmerkingen over het convenantenbeleid? Wanneer zullen de resultaten van de evaluatie van convenanten er zijn? Zullen er, voordat de resultaten van de evaluatie convenanten bekend zijn, nog belangrijke convenanten worden afgesloten?

Bij welke landbouwsectoren is sprake van een hardnekkige problematiek bij het uitvoeren van convenanten, en welke redenen liggen hieraan ten grondslag?

Aan welke (juridische) eisen moeten convenanten in de toekomst voldoen om afdwingbaarheid en het behalen van de doelstellingen te garanderen?

Convenanten zijn primair bedoeld om milieudoelen te realiseren. Tegen deze achtergrond kan worden geconstateerd dat er voorbeelden zijn van goed werkende ( bijvoorbeeld convenanten met bepaalde industriële sectoren over het terugdringen van emissies van prioritaire stoffen) en minder goed werkende convenanten. Zo zijn er belangrijke signalen dat er in sommige sectoren sprake is van een hardnekkige problematiek of dat deze dreigt te ontstaan, waardoor het (continueren van het) gebruik van een convenant als instrument daar dient te worden heroverwogen. Maatschappelijke vraagstukken waar dit zich voordoet zijn onder meer de verpakkingenproblematiek en de bestrijdingsmiddelenproblematiek in de landbouw. In het algemeen is het voor een succesvolle werking van milieuconvenanten van belang dat betrokken partijen de afspraken serieus nemen in de uitvoeringsfase en de hun toebedeelde verantwoordelijkheden daadwerkelijk willen toepassen. De naleving en handhaving van convenanten zal daarom nu reeds worden versterkt. Convenanten als instrument in het milieubeleid worden niet als zodanig in twijfel getrokken. Op basis van de aangekondigde evaluatie, die naar verwachting eind 2002 zal zijn afgerond, is wel aan de orde dat indringender stilgestaan moet worden bij de vraag in welke gevallen het convenant het meest geschikte instrument is. Dit kan, naast vormvereisten voor dit instrument, ook tot een andere inzet van convenanten in de instrumenten mix leiden.

De juridische eisen die op dit moment aan convenanten worden gesteld zijn vastgelegd in de Aanwijzing voor convenanten die in 1995 Rijksbreed zijn overeengekomen. Momenteel worden deze aanwijzingen geëvalueerd en eventueel herzien.. Op basis hiervan en de resultaten van de evaluatie zullen deze eisen opnieuw worden bezien.

Thans worden onder meer de voorbereidingen getroffen om te komen tot nadere afspraken op het gebied van het antennebeleid en de bodemsanering. Daarnaast wordt bezien of op het gebied van de verpakkingen-problematiek afspraken met de sector neergelegd dienen te worden in een convenant. Kortom het convenant is een goed en bruikbaar instrument, waarbij echter het kritisch bezien van de effectiviteit van dit instrument in specifieke situaties geboden blijft. Dit geldt ook voor andere instrumenten. Het convenant mag er ook niet toe leiden dat noodzakelijke beleids-vernieuwingen worden belemmerd.

Om de grote milieuproblemen op te lossen en de daartoe noodzakelijke transities te realiseren, zijn in aanvulling op de bestaande instrumentenmix nieuwe instrumenten nodig. De complexiteit en onzekerheden, die gepaard gaan met transities, vragen om instrumenten die sturen op systeemniveau (bijvoorbeeld het systeem van de energiehuishouding), zonder dat de overheid de keuze van middelen bepaalt. Hiermee wordt het beroep op de eigen verantwoordelijkheid versterkt. Logischerwijs zullen dan instrumenten, die sturen op effecten en die gericht zijn op marktsturing (bijvoorbeeld verhandelbaarheid) een prominente rol vervullen in de in te zetten mix van instrumenten.

6

Er wordt gesproken over internationale coördinatie en afstemming. Kan aangegeven worden of nog andere afstemming en coördinatie plaatsvindt, naast het proces dat zich in het kader van de VN en E4 ontwikkeld? Wat voor knelpunten doen zich voor in het internationale coördinatie en afstemmingsoverleg en waar bestaat de mate van consensus uit?

Het succes van de aanpak van de grote internationale milieuproblemen zal sterk worden bepaald door de mate van internationale overeenstemming, zowel over de doelstellingen als over de maatregelen om die doelstellingen te realiseren. Nederland kiest hierbij voor een eigen herkenbare opstelling en voor een actieve rol op het internationale vlak. Om onderhandelingen op het geëigende schaalniveau in beweging te krijgen en te houden zal Nederland met andere landen allianties aangaan. Allianties met Europese partners ter ondersteuning van de samenwerking binnen Europa en allianties van Nederland en andere Europese partners met landen buiten de EU (OESO en niet-OESO-landen) teneinde voortgang te boeken bij de onderhandelingen over mondiale milieuvraagstukken. Zie hiervoor ook pagina 67 en 68 van het NMP4. De knelpunten bij de internationale coördinatie hebben vooral te maken met de mate waarin meer landen bereid zijn om deze milieuproblemen effectief aan te pakken. Dit kan te maken hebben met de mate waarin consensus bestaat over de ernst en omvang van de milieuproblemen, de verschillende (economische) achtergronden van de landen en de wijze waarop de inspanningen voor het realiseren van de milieu-verbeteringen zijn verdeeld over de verschillende landen. Dit speelt uiteraard vooral daar waar grote milieuproblemen grensoverschrijdend zijn.

7

In NMP4 is het vervolg op NMP3 en heeft een visie op de lange termijn van 30 jaar. Waarom is afgeweken van de concrete beleidsontwikkeling voor de komende4jaar?

In het NMP3 is geconstateerd dat voor een aantal grote milieuproblemen de bestaande beleidsaanpak niet leidt tot voldoende oplossing van deze problemen. Om die reden heeft het kabinet in het NMP4 een vernieuwing van de strategie voor het milieubeleid ontwikkeld. Het NMP4 is aanvullend aan het NMP3. Het NMP3 blijft van kracht voor zover in het NMP4 geen beleidswijziging is geformuleerd.

De grote milieuproblemen zijn complex omdat oplossing ervan vraagt om maatschappelijke veranderingsprocessen, die vaak niet tot de landsgrenzen beperkt blijven. Het overwinnen van barrières die dit veranderingsproces belemmeren vereist een lange termijn visie, met een over meerdere decennia volgehouden pad naar duurzaamheid. Als eerste stap daartoe bevat het NMP4 een groot aantal concrete acties en voornemens. Deze zijn opgenomen in het Werkdocument NMP4, dat als bijlage bij de VROM-begroting voor 2002 is gevoegd.

8

Een volgende regering moet over de leergelden besluiten. Kan deze regering aangeven waarover we nu dan wel kunnen besluiten, en wat afwijkt

vande huidige financieringafspraken?

Het getuigt van een wat sombere visie dat een volgende regering voor dit NMP4 leergeld zal moeten betalen. Deze visie wordt niet gedeeld. Verwezen wordt naar de paragrafen financiering aan het eind van de hoofdstukken 5, 6, 7, 8, 9 en 10, en naar de passages over financiering in hoofdstuk 11. Daaruit blijkt zowel wat de consequenties zijn voor de begrotingen alsook waar een beroep zal worden gedaan op ICES-gelden. Zie ook het antwoord op vraag 179.

9

Wat is het oordeel van de regering over de gepresenteerde resultaten en

berekeningen van Stichting Natuur&Milieu en Milieudefensie, met als

conclusie dat er sprake is van tien verloren jaren in het kader van het

milieu?

Stichting Natuur & Milieu en Milieudefensie constateren dat er in de jaren negentig milieusuccessen zijn geboekt op onder andere het gebied van lucht en water. Deze successen zijn, naar de mening van deze organisaties, voor het merendeel het gevolg van het beleid dat in de jaren zeventig en tachtig in gang is gezet.

In het NMP4 is geconstateerd dat het in gang gezette milieubeleid ook in de afgelopen 10 jaar resultaten heeft opgeleverd. Een groot aantal milieuproblemen uit de Urgentienota van 1972 is 30 jaar na dato beheersbaar. De emissies van veel milieubelastende stoffen zijn de afgelopen twintig jaar substantieel afgenomen, ondanks een sterke groei van productie en consumptie. Dit in tegenstelling tot de periode 1960–1980, waarin de milieudruk steeds toenam: milieubeleid heeft zin (zie ook NMP4, pagina 17). Het inzetten en volhouden van beleid heeft daarbij pas op langere termijn effect. Mede daarom zijn in de jaren negentig belangrijke beleidsnota’s als de nota Milieu en Economie, het NMP3 en de Uitvoeringsnota Klimaatbeleid verschenen.

Voor echter een beperkt aantal hardnekkige milieuproblemen is het huidige beleid onvoldoende, hetgeen ook in publicaties van het RIVM zoals de Milieubalans 2001 naar voren komt Deze problemen staan centraal in het NMP4. De vijfde nota Ruimtelijke Ordening en het NVVP reageren met name op de ruimtelijke ontwikkelingen in Nederland, zoals woningbouw, aanleg van bedrijfsterreinen en infrastructuur.

10

De overheid prikkelt en heeft een voorbeeldfunctie als het gaat om duurzaamheid. Kan worden aangegeven waar die voorbeeldfunctie uit blijkt?

Duurzaamheid bestaat uit drie dimensies: economie, ecologie en sociaal. Veel van het regeringsbeleid is gericht op tenminste één van de componenten. Kern van duurzame ontwikkeling is dat deze drie dimensies in onderlinge balans worden beheerd en behouden. Dit vraagt om integrale afweging en integraal beleid. Waar de kansen liggen om in projecten bij te dragen aan twee of drie dimensies van duurzaamheid, moeten die gepakt worden. Enkele voorbeelden van dit integrale beleid zijn:

  • • 
    Het grote steden beleid. Daarin wordt de combinatie van met name economische groei en sociale kwaliteit gezocht. Ook milieu, in de vorm van bijvoorbeeld bodemsanering en reductie geluidsoverlast, speelt een rol.
  • • 
    Het integraal meenemen van economische, sociale en milieu-aspecten bij grote investeringsvoorstellen. Zo kan bijvoorbeeld het Project Main-port Rotterdam worden genoemd, waarbij naast economische aspecten als de aanleg van een nieuw bedrijventerrein ook 750 ha natuur- en recreatiegebied zijn gepland.
  • • 
    Het beleid op het terrein van milieutechnologie (zoals de regeling

Economie, Ecologie en Technologie). Met deze regeling wordt nieuwe technologie ontwikkeld die economische potentie heeft en bijdraagt aan een betere milieukwaliteit.

  • • 
    Het verkeers- en vervoersbeleid, waarbij bereikbaarheid (zowel economisch als ook sociaal van belang), veiligheid en leefbaarheid belangrijke uitgangspunten zijn.
  • • 
    Het landbouwbeleid, waarbij gestreefd wordt naar een duurzame landbouw, met milieu- en diervriendelijke geteelde producten waarmee een gezonde boerenbedrijfstak toekomst heeft.
  • • 
    Nederland is actief bij de uitwerking van het Cardiff-proces om duurzaamheid in de verschillende EU-overleggen te verankeren, zoals bijvoorbeeld in de Transportraad en de Industrieraad. Ook wordt ondersteuning aan andere landen gegeven met de Subsidieregeling internationale samenwerkingmilieubeheer.

Kan worden aangegeven waarom de verplichting om een vast percentage groene stroom af te nemen niet in het NMP4 is opgenomen?

De reden is dat het nadenken over een verplichtstelling van een percentage hernieuwbare energie onderdeel is van een bredere herbezinning van het beleid voor duurzame energie.

De mogelijke verplichtstelling van een percentage hernieuwbare energie is thans nog onderwerp van nader beraad. Het onderwerp wordt hiertoe op afzienbare termijn in de Raad voor Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (RROM) aan de orde gesteld. Ten behoeve hiervan wordt een advies van de Rijksmilieuhygiënische Commissie (RMC) voorbereid. In het kader van verhandelbare emissies heeft het RIVM voorgesteld om de CO2-uitstoot per persoon vast te stellen. Hoe denkt de regering hierover?

Begin dit jaar is een OECD-rapport gepubliceerd met verkenningen van de mogelijkheden om binnen Europa de CO2-emissie ten gevolge van mobiliteit sterk te reduceren. In het kader van die verkenningen, waaraan het RIVM heeft meegewerkt, is de suggestie gedaan om gekoppeld aan mobiliteit een CO2-budget per persoon vast te stellen.

Zoals bekend heeft het kabinet de Commissie Plafonnering CO2-emissies (Commissie Vogtländer) geïnstalleerd. Deze commissie komt aan het eind van dit jaar met een advies. In het advies zal naar verwachting ook aandacht worden besteed aan de CO2-emissie van de verkeerssector. Het kabinet zal binnen enkele maanden na verschijning van het advies met een reactie komen.

Als het eventueel tot introductie van CO2-emissiehandel komt, zal een dergelijk systeem stapsgewijs worden ingevoerd. Het vaststellen van een systeem van emissiehandel op basis van CO2-emissie per persoon zal dan niet de eerste stap zijn.

14In hoeverre is rekening gehouden met de aangenomen motie-Van der Steenhoven c.s (26 800 XI, nr. 19) dat het beleidsterrein materialenbeleid in het NMP4 zou worden uitgewerkt, inclusief analyse, een set van doelstellingen en voorstellen voor maatregelen? Waar is deze uitwerking terug te vinden?

Op pagina 112 en 125 van het NMP4 wordt de rol van dematerialisatie in het milieubeleid uiteen gezet mede als antwoord op genoemde kamermotie.

15 en 47

Voor het risicobeleid geldt dat een afweging wordt gemaakt tegen maatschappelijke baten. Voor andere onderdelen van het NMP4 wordt het maken van een uitgebreide kosten-batenanalyse niet genoemd. Hoe denkt

de regering een dergelijke analyse (en dus een inzicht in de doelmatigheid vanbeleidsmaatregelen) in alle milieuonderdelen te verankeren? Gaat de regering nu consequent de maatschappelijke kosten en baten van beleidsmaatregelen integraal en expliciet in kaart brengen en afwegen? Wordt dit ook wettelijk verplicht?

In § 4.2 van het NMP4 is het beleidskader beschreven voor het milieubeleid. Centraal hierin staat dat maatschappelijke kosten en baten integraal tegen elkaar moeten worden afgewogen, ook voor andere onderdelen van het milieubeleid dan het risicobeleid. Bij deze afweging worden de economische, sociale en milieukosten in brede zin betrokken, zowel op de korte als op de lange termijn.

Noodzakelijk is hierbij een goed beeld te krijgen van maatschappelijke kosten en baten ten behoeve van het maken van een goede afweging bij het formuleren van beleid en de inzet van instrumenten. Dit beleidskader geldt voor het volledige NMP4 beleid. De analyse van maatschappelijke kosten en baten wordt steeds gemaakt bij de implementatie van de nota en ander relevant kabinetsbeleid. Er wordt geen wettelijke verplichting ingevoerd.

16

De milieuschaarste komt onvoldoende in de prijzen tot uitdrukking. Zou dit bijvoorbeeld betekenen dat, gezien de CO2-problematiek, grijze stroom duurder zou moeten zijn dan groene stroom?

Indien uitgegaan wordt van een absoluut CO2-plafond zal de prijs van grijze stroom op termijn naar verwachting hoger komen te liggen dan die van groene stroom, een en ander mede afhankelijk van in te zetten instrumenten.

17

Waarom is het preventieve bodembeschermingsniveau nog niet overal op

orde? En waar is dit dan nog niet op orde?

Het preventieve bodembeschermingsniveau is qua regelgeving op orde, doordat er algemene maatregelen van bestuur zijn voor de belangrijkste bedreigingen, er vergunningvoorschriften zijn voor grote installaties en aanvullend de zorgplichtbepalingen uit de Wet milieubeheer gelden. Het beleid verkeert nu in een implementatie- en evaluatiefase. Slechts voor een beperkt aantal locale bronnen is het beleid nog in ontwikkeling. Met name betreft dit de circa vierduizend oude stortplaatsen, waarvoor een traject van monitoring is afgesproken.

18

Wat zijn de oorzaken van het wisselend beeld van de cluster verkeer en

vervoer en infrastructuur voortkomend uit de evaluatie van de nota Milieu

enEconomie?

Het wisselend beeld in de evaluatie van de nota Milieu en Economie voor het cluster verkeer en vervoer vloeide voort uit een verschil in tempo dat tussen personen- en goederenvervoer werd geconstateerd. Zowel voor het goederenvervoer als het personenvervoer is sindsdien op basis van het gedachtengoed van de Nota Milieu en Economie een nieuwe aanpak ontwikkeld, die inmiddels resultaten oplevert. Bij het personenvervoer zijn onder meer bedrijven uit de autowereld zelf met initiatieven gekomen. Bij het goederenvervoer is gestart met een gezamenlijke programmatische aanpak van overheid en marktpartijen in het kader van het NVVP. Met name het programma Verantwoord Ondernemen en Nederland Innovatie-land passen hierbinnen.

19

Er wordt gesproken van weinig aansluiting van de boegbeelden uit de nota Ecologie-Economie. In de conclusie is te weinig aandacht voor de rol van de overheid. Kan de regering aangeven waaruit dat blijkt?

Bij het opstellen van de nota Nota Milieu en Economie en de uitvoering ervan is aandacht besteed enerzijds aan de aanpak met boegbeelden en anderzijds aan generiek overheidsbeleid. De evaluatie van de Nota Milieu en Economie geeft aan dat een aanpak zoals in de Nota Milieu en Economie is beschreven vruchtbaarder wordt indien een aanpak met boegbeelden wordt ondersteund met generiek beleid met name gericht op het internaliseren van de milieukosten. Met generiek beleid krijgen actoren prikkels waardoor men meer belang krijgt oplossingen te kiezen, waarin ambities van milieu en economie zoveel mogelijk samengaan. In de transitie aanpak die in het NMP4 is opgenomen, zal gewerkt worden met maatschappelijke initiatieven, ondersteunt met generiek overheidsbeleid en «vraaggestuurde» instrumenten ontwikkeling.

20

Kan de regering aangeven hoe de lessen van het CPB aansluiten bij het

nieuwe beleid van transities?

Bijvoorbeeld de les dat autonome ontwikkelingen vaak een grote rol spelen bij verbetering van milieuprestaties. In de aanpak met transities wordt meer dan in het verleden gekeken naar samenhangen op het systeemniveau. Dit betekent dat een betere inschatting gemaakt wordt van autonome ontwikkelingen en dat meer rekening wordt gehouden met onzekerheden. Met deze inzichten kan de effectiviteit van de inzet van het overheidsbeleid worden vergroot.

Er is daarnaast een aantal lessen over het formuleren van doelstellingen en de inzet van instrumenten. De transitie aanpak brengt met zich mee dat ambities voor de lange termijn voor meerdere relevante beleidsterreinen of actoren een rol spelen. Doordat er in het beleid rekening wordt gehouden met meerdere maatschappelijke ambities zal het eenvoudiger zijn om tijdig te komen tot een adequate instrumentering van het beleid.

21, 51, 52 en 170

Welke concrete stappen onderneemt de regering om milieukosten in prijzen te internaliseren?

Hoe gaat de regering concreet invulling geven aan de kosten van nationale milieuproblemen?

De consument heeft een dominante positie in de keuze die gemaakt kunnen worden om duurzaamheid te bevorderen. Door internaliseren van de kosten in de prijzen kan bewustwording worden bevorderd. Is er inzicht op welke wijze internaliseren kan worden bereikt?

Hoe kunnen concreet de kosten voor behoud van de kwaliteit van de leefomgeving doorberekend worden aan de veroorzaker?

Het internaliseren van de milieukosten kan gebeuren met behulp van regulerende instrumenten en van marktconforme instrumenten. Regulerende instrumenten zijn onder andere algemene gebods- en verbodsbepalingen of convenanten. Voorbeelden van marktconforme instrumenten zijn «groene» belastingen en heffingen, maar ook verhandelbare emissies. Veel instrumenten worden al aangewend om de kosten voor het milieu te internaliseren in de prijzen van goederen en diensten. De manier waarop milieukosten worden geïnternaliseerd is afhankelijk van de vraag of er sprake is van internationale dan wel nationale milieuproblemen. Daarnaast is de keuze van een instrument afhankelijk van de effectiviteit en efficiency om bij een bepaald milieuprobleem de kosten te internaliseren.

Op verschillende terreinen wordt momenteel gewerkt aan de concrete invulling daarvan.

De discussie rond de rapporten van de Commissie de Waard en de Commissie Vogtländer zal meer duidelijkheid geven over de stappen die genomen kunnen worden om te komen tot het internaliseren van de milieukosten in het kader van het terugdringen van de CO2-emissies. Ook wordt in het kader van het transport en opslag van gevaarlijke stoffen bekeken hoe het indirecte ruimtebeslag dat gepaard gaat met deze activiteiten kan worden geïnternaliseerd. Daarnaast streeft de regering ernaar voor het personenvervoer de vaste fiscale lasten grotendeels te variabili-seren door er een kilometerheffing van te maken die gedifferentieerd wordt naar gewicht en brandstofsoort in dezelfde mate als in het huidige systeem. In een later stadium kan ook gedifferenteerd worden naar tijd en plaats. Het doel is hierbij de kosten van mobiliteit zo direct mogelijk en naar werkelijk gebruik in rekening te brengen bij de gebruiker. Voor het wegvervoer is het internaliseren van de externe kosten het streven. Hiervoor is een kilometerheffing eveneens een instrument. In een beleidsnota die uw Kamer zal ontvangen, zal nader worden ingegaan op de vormgeving van de kilometerheffing.

22

Gesteld wordt dat uit cases blijkt dat normen en regels ook vaak niet gerealiseerd worden bij marktconforme instrumenten. Op welke cases wordt gedoeld?

Het CPB heeft in het kader van de voorbereiding van het NMP4 een maatschappelijk economische analyse van vier hardnekkige milieuproblemen uitgevoerd. Deze analyse is in november 2000 uitgebracht onder de titel «Naar een efficiënter milieubeleid». De vier cases die zijn geanalyseerd zijn:

  • • 
    Vermesting en verzuring in de landbouw
  • • 
    Klimaatverandering
  • • 
    Verzuring in het verkeer en vervoer
  • • 
    Geluidhinder rond Schiphol Overigens heeft de conclusie van het CPB dat normen en regels ook vaak niet gerealiseerd worden bij marktconforme instrumenten betrekking op het prijsbeleid, zoals heffingen. Voor dit beleid bestaat er onzekerheid over het bereiken van beleidsdoelstellingen doordat enerzijds de gevoeligheid van maatschappelijke actoren voor prijzen niet altijd goed kan worden ingeschat en anderzijds er maatschappelijke weerstand kan ontstaan tegen het inzetten van prijsbeleid bij de groepen die hierdoor worden geraakt.

23

Europese besluitvorming in het kader van duurzaamheid valt niet onder meerderheidsbesluitvorming. Hoe wordt de samenwerking geïntensiveerd binnen de EU, en hoe wordt milieudiplomatie ingezet om een Europees duurzaamheidsbeleid te ontwikkelen?

Besluitvorming op de verschillende deelgebieden van duurzame ontwikkeling, waaronder milieu, vindt over het algemeen wel plaats onder meerderheidsbesluitvorming. Conclusies die door de Europese Raad worden aangenomen moeten volgens het Verdrag met unanimiteit worden genomen. Aanpassing daarvan zou in een volgende Intergouvernementele Conferentie (IGC) aan de orde kunnen komen. De samenwerking binnen de EU wordt onder andere geïntensiveerd door het sluiten van coalities met andere landen op de verschillende sectorale terreinen. Om een Europees duurzaamheidbeleid te ontwikkelen zijn onder andere indicatoren en een duurzaamheidstoets in voorbereiding. In de verklaring van Göteborg is aangegeven dat voor de Europese Raad van

Laken (december 2001) een duurzaamheidstoets op belangrijke Commissievoorstellen door de Commissie moet worden voorbereid. Bovendien zullen door de Europese Raad van Laken milieu- en duurzaam-heidsindicatoren moeten worden aangenomen, die worden toegevoegd aan de structurele indicatoren op economisch en sociaal terrein, als voorbereiding op de Voorjaarsbijeenkomsten van de Europese Raad.

24

Zijn er plannen om een Europees milieuplan (EMP) te ontwikkelen met concrete doelstellingen in de tijd, en zo ja, hoe ver is men met de ontwikkeling? Zo nee, waarom niet?

Op het moment is een 6e Milieuactieprogramma in voorbereiding. Dit programma heeft een looptijd tot 2010. In juni is in de Milieuraad een Gemeenschappelijk Standpunt hierover bereikt; het Europees Parlement zal een advies in tweede lezing hierover voorbereiden (dit najaar te verwachten). Vervolgens zal aan de hand van deze amendementen van het EP, samen met het EP gekeken gaan worden of er een gezamenlijk Besluit hierover mogelijk is. In de aanloop naar het Gemeenschappelijk Standpunt heeft Nederland zo veel mogelijk gepleit voor concrete doelstellingen en tijdpaden. In het Gemeenschappelijk Standpunt staan nu een zevental thematische actieplannen aangekondigd met een duidelijk tijdpad.

25

Welk percentage van het duurzaamheidsbeleid wordt niet door de EU

bepaald?

Het is niet mogelijk om aan te geven welk deel van het duurzaamheids-beleid door de EU, dan wel de lidstaten binnen de EU en andere landen buiten de EU wordt bepaald. Het is een samenspel, waarbij de invloed van de EU als geheel in de toekomst zal groeien. Daarom zal Nederland, samen met andere landen, zich inzetten om het beleid van de EU verder te verduurzamen.

26

Hoe staat het met de aansluiting van nieuwe EU-landen op het

EU-programma?

Bij de ontwikkeling van nieuw EU-beleid worden de kandidaat-lidstaten in toenemende mate betrokken. Voorafgaand aan de presentatie van een voorstel voor een 6e Milieu-actieprogramma zijn milieuministeries, maar ook andere belanghebbenden als NGO’s uitgebreid geconsulteerd.

Tijdens de Europese Raad van Nice is het perspectief geboden dat de eerste groep van kandidaat-lidstaten toe zal kunnen treden voor de volgende Europese verkiezingen, dat wil zeggen in 2004. Op dit moment worden de onderhandelingen gevoerd.

  • • 
    Met de volgende kandidaat-lidstaten is het hoofdstuk milieu (voorlopig) afgesloten: Slovenië, Hongarije, Tsjechië, Estland, Litouwen, Cyprus. Gemiddeld genomen zijn met deze kandidaat-lidstaten overgangstermijnen overeengekomen ten aanzien van 2 á 3 kapitaals-intensieve richtlijnen als inzake «Grote Stookinstallaties«, «Stedelijke Afvalwaterzuivering» en «Verpakkingen».
  • • 
    Met de volgende kandidaat-lidstaten is het hoofdstuk milieu nog open: Polen, Letland, Slowakije, Malta, Bulgarije. Naar verwachting zal het aantal overgangstermijnen voor Polen groter zijn.
  • • 
    Met Roemenië is het hoofdstuk milieu nog niet geopend, naar verwachting zal dit voor het einde van het jaar gebeuren.

De Nederlandse onderhandelingsinzet is er op gericht om waar mogelijk flexibiliteit te bieden met het oog op snelle toetreding. Bij de overname van het «milieu-acquis» spelen de volgende criteria een rol: mondiale en grensoverschrijdende effecten; interne markt;

onomkeerbare situaties (bijvoorbeeld met betrekking tot biodiversiteit) volksgezondheid.

Voorafgaand aan de Top van Laken op 14 en 15 december 2001 zal de Tweede Kamer middels een kabinetsnotitie worden betrokken bij de actuele beleidsinzet.

27

Is er een beeld van de wijze van financiering van de milieuactieprogramma’s in de kandidaat-lidstaten?

De kandidaat-lidstaten formuleren zgn. Nationale programma’s voor de overname van het acquis, de bestaande wetgeving in de EU. Op grond van de Europese Raad van Berlijn in 1999 is voor de periode van 2000-2006 een jaarlijks budget beschikbaar van 3120 M voor de drie toetredingsinstrumenten:

1 560 M voor PHARE (Polish Hungarian Aid for Reconstruction of Economies), dat betreft met name institutionele versterking voor toetreding algemeen, waar milieu onderdeel van uitmaakt. 1 040 M voor ISPA (Instrument for Structural Policies for Pre-accession Countries), dat voor de helft aan transport en voor de helft aan milieuprojecten wordt besteed

520 M voor SAPARD (Special Accession Programme for Agriculture and Development), dat landbouwprojecten betreft.

De huidige schattingen zijn dat overname van het gehele milieuacquis de kandidaat-lidstaten zo’n 80 tot 120 miljard Euro zal kosten (Turkije, Cyprus en Malta niet meegerekend). Dit komt neer op een jaarlijkse investering van zo’n 10 miljard Euro. Hieruit vloeit voort dat het overgrote deel van de investeringen benodigd voor toetreding afkomstig zijn uit de kandidaatlidstaten zelf.

28

In het NMP4 wordt geconstateerd dat een gebrek aan economische prikkels en beleidsmatige sturing in de industrielanden de grootschalige overschakeling op duurzame energiedragers verhindert. Welke concrete activiteiten gaat de regering ondernemen om deze drempels te overwinnen?

Om deze drempels te kunnen slechten, zijn naast bestaande instrumenten ook instrumenten nodig die via de markt sturen gekoppeld aan harde doelstellingen. Met name het vervolgen van het ingezette beleid met betrekking tot emissiehandel en/of heffingen op milieugrondslag zijn in toenemende mate van belang om voor de periode na 2010 vergaande emissiereducties te kunnen realiseren en de beoogde transitie naar een duurzame energiehuishouding te doen slagen. Het is daarbij van groot belang dat deze instrumenten ook in internationaal verband vorm krijgen. Thans is een advies van de Commissie Vogtländer inzake een nationaal systeem voor emissiehandel in broeikasgassen in voorbereiding. Dit advies wordt nog dit kalenderjaar afgerond. Het advies van werkgroep Vergroening van het fiscale stelsel II (werkgroep De Waard) is thans gereed. Op grond hiervan zal het kabinet eerst conclusies formuleren opdat in de volgende kabinetsperiode definitieve besluiten worden genomen over de verdere invoering en vormgeving van deze instrumenten.

29

Op het punt van de ecologische voetafdruk wordt gesteld dat Nederlanders onder het wereldgemiddelde zitten, mede als gevolg van de hoge landbouwproductiviteit. Leidt extensivering van de landbouw in de praktijk tot een grotere ecologische voetafdruk? Kan hierop een toelichting worden gegeven?

Extensivering van de landbouw bij gelijk blijvende consumptie, leidt tot een groter ruimtegebruik. Voor een belangrijk deel zal het daarbij gaan om ruimte in Nederland zelf.

Echter de ecologische voetafdruk gebaseerd op alleen het ruimtegebruik zegt niets over de duurzaamheid van de «voetafdruk» en het gaat er ook niet om een Nederlandse voetafdruk elders hoe dan ook tegen te gaan. Het gaat erom dat die voetafdruk duurzaam is, dat wil zeggen geen afwenteling en onbetaalde rekeningen, maar verantwoordelijkheid dragen door alle werkelijke kosten, ecologische en sociaal-economische, zelf te betalen.

30

Door toenemende recreatie in ruige natuurgebieden neemt de kans op ziekten toe. Ook kan milieuvriendelijke wonen negatieve effecten, zoals legionella, met zich meebrengen. Welke beleidsconclusies verbindt de regering aan deze constateringen?

Voor de aanpak van deze en andere risico’s voor de volksgezondheid wordt een beleidsprogramma milieu en gezondheid gestart. Met dit beleidsprogramma wil de overheid mogelijke gevaren en risico’s eerder signaleren, beter luisteren naar maatschappelijke signalen, beter met de burger communiceren over gevaren en risico’s en eerder afdoende maatregelen nemen. In het beleidsprogramma worden 3 sporen van beleid uitgewerkt:

  • • 
    onderzoeksprogramma milieu & gezondheid
  • • 
    risico’s eerder signaleren
  • • 
    risico communicatie

31

Wordt het voorstel van de Commissie Integraal Waterbeheer voor een proefperiode waarin toxisch blauwwier wordt gemeten door de regering overgenomen, en wat wordt op het vlak van parasieten ondernomen?

Het blauwalgenprotocol is inderdaad door CIW5 goedgekeurd en onder waterbeheerders verspreid. Ook door de Gezondheidsraad wordt dit beleid ondersteund. Het betreffende advies over zwemmen in oppervlaktewater wordt eind 2001 verwacht. Voor parasieten is nog geen specifiek beleid geformuleerd. Wel wordt er actie door de beheerder ondernomen als er door zwemmers klachten worden gemeld bij de GGD. Er gaat dan bijvoorbeeld een waarschuwing uit.

32

Welke beleidsconclusies trekt de regering uit het cumulatief effect van milieuproblemen? Hoe verhoudt zich deze cumulatie tot de wens voor verdere verdichting in het stedelijk gebied?

Een belangrijke beleidslijn in het NMP is gebiedsgericht beleid om de kwaliteit van de leefomgeving te verhogen. Voor een grotere samenhang in het beleid moeten verschillende overheden afspraken maken over de gewenste verbeteringen per gebied. Daarmee kunnen voor stedelijke gebieden andere keuzes worden gemaakt, dan voor landelijke gebieden. Vervolgens kunnen bij de stad passende maatregelen geconcentreerd op de prioriteiten worden ingezet. De cumulatie van milieuproblemen en andere problemen belemmeren de sociaal-economische ontwikkeling van stedelijke gebieden. Voor stedelijke vernieuwing is een extra impuls nodig, zo blijkt uit de Vijfde Nota Ruimtelijke Ordening en de Nota Wonen. Ter advisering liggen bij de ICES departementale en regionale voorstellen om de milieudruk in steden en verbeteringen op andere terreinen te realiseren. Het nieuwe kabinet zal hierover besluiten. De aanpak zal neerslaan in met name het Grote Stedenbeleid en de regiocontracten. Verdere verdichting is doorgaans verenigbaar met de wens voor een betere milieukwaliteit, zoals ook blijkt uit de Stad en Milieu benadering. Verdere verdichting in de stad spaart ruimte buiten de stad en draagt zo ook bij aan de kwaliteit van de leefomgeving. Indien verenigbaarheid niet mogelijk is, zoals bijvoorbeeld het geval kan zijn in de relatie verdichtinghoofdinfrastructuur, zal een afweging gemaakt moeten worden met in achtneming van milieu- en veiligheidseisen.

33, 135, 140, 143 en 144

Hoe verhoudt zich het risicobeleid, met de gewenste afstanden tussen bedrijfslocaties en woningen of kantoren, tot de wens voor verdere verdichting in het stedelijk gebied?

Het bevoegd gezag kan van de oriënterende waarde van het groepsrisico afwijken. Is geïnventariseerd op welke plaatsen daarvan sprake is? Hoe zijn de eventuele gevolgen voor het ruimtelijk binnenstedelijk beleid meegenomen in de afweging tussen de verschillende beleidsopties, waaronder het beperken van het vervoer van gevaarlijke stoffen? Er wordt ten aanzien van de risiconorm geen onderscheid gemaakt tussen nieuwe en bestaande situaties. Tot welke saneringsoperaties zal dit leiden? Kan een inschatting worden gemaakt van de omvang en de kosten? Hoe denkt de regering uitvoering te geven aan dit beleid? Hoe denkt de regering over de kritiek van de vier grote steden, die stellen dat de consequenties (vooralsnog) onaanvaardbaar zijn? Gesproken wordt over een afwegen van groepsrisico’s tegen maatschappelijke baten. Wat betekent dit concreet voor bestaande stedelijke gebieden? Kan de regering deze betekenis uitwerken aan de hand aan van de cases Rotterdam CS, Kralingse Zoom en de Alexanderknoop, allen in Rotterdam?

Tussen het risicobeleid en de wens tot stedelijke verdichting bestaat een spanning. In specifieke situaties zullen keuzes moeten worden gemaakt. In deel 3 van de Vijfde Nota Ruimtelijke Ordening zal worden vastgelegd hoe de interventiestrategieën voor intensiveren, combineren en transformeren te verenigen zijn met het externe veiligheidsbeleid. Kernpunten zijn: kennis van veiligheidsrisico’s vroegtijdig inbrengen in het ruimtelijk plan-proces; voorrang geven aan bron- en inpassingsmaatregelen en onderscheid maken tussen het voorkomen van nieuwe onveilige situaties en het saneren van bestaande onveilige situaties.

De verschillende beleidsopties zullen mede worden beoordeeld naar het effect dat zij hebben op het ruimtelijk beleid voor de binnensteden, zoals dat o.a. in de Vijfde Nota Ruimtelijke Ordening is vastgelegd. De keuzes die hier uit voortvloeien zullen in een aantal gevallen het beperken van het vervoer van gevaarlijke stoffen tot gevolg zullen hebben, maar in andere gevallen beperkingen opleggen aan stedelijke verdichting wanneer het vervoer van gevaarlijke stoffen belangrijker wordt geacht. De beleidslijn van het internaliseren van maatschappelijke kosten van onder meer indirect ruimtebeslag moet ertoe bijdragen dan de spanning tussen risicobeleid en stedelijke verdichting op termijn minder wordt, omdat dan andere afwegingen worden gemaakt door de veroorzakers van het risico’s.

In het NMP4 is reeds een eerste schatting gegeven van de omvang van de saneringsoperatie met betrekking tot inrichtingen als gevolg van het toepassen van in eerdere NMP’s vastgelegde veiligheidsnormen.Ter voorbereiding van in het NMP4 genoemde amvb’s externe veiligheid voor inrichtingen en voor transport, wordt onderzocht met welke knelpunten rekening moet worden gehouden, met name ook in relatie met vervoer van gevaarlijke stoffen (quick scan onderzoek). De gevolgen voor een aantal sleutelprojecten waaronder Rotterdam CS worden in het onderzoek in globale zin meegenomen. Het onderzoek wordt dit najaar afgerond. Pas dan is meer inzicht te geven in concrete knelpunten en in de omvang van saneringsoperaties. (zie ook vragen 139 en anderen)

34

Schepen zonder dubbele scheepswanden zullen in de komende jaren uit de vaart worden genomen. Per wanneer mogen deze schepen zich niet meer op het water vertonen?

In 2015 zullen alle niet-dubbelwandige olietankers uit de vaart zijn genomen, en wel overeenkomstig het volgende schema, dat op 27 april 2001 door het Marine Environment Protection Committee van de Internationale Maritieme Organisatie resolutie MEPC 95(46) is aangenomen. De resolutie is een amendement op de bestaande regulation 13G van annex 1 het Marpol-verdrag.

Het amendement bevat een uitfaseringsschema voor 3 categorieën enkelwandige olietankers:

  • • 
    Categorie 1 zijn olietankers van meer dan 20 000 ton laadvermogen zonderbeschermende maatregelen tegen aanvaring of stranding.
  • • 
    Deze categorie wordt in de jaren 2003 – 2007 uitgefaseerd.
  • • 
    Categorie 2 zijn olietankers van meer dan 20 000 ton laadvermogen metbeschermende maatregelen tegen aanvaring of stranding. Deze categorie wordt in de jaren 2003 – 2015 uitgefaseerd. Categorie 3 zijn olietankers uit categorie 1 en 2, maar met een laadvermogen van 5000 -20 000 ton laadvermogen. Deze categorie wordt eveneens in de jaren 2003–2015 uitgefaseerd.

35

Voor de veertien knelpuntemplacementen wordenmaatregelen voorzien.

Welke emplacementen zijn dit?

Het gaat om de volgende emplacementen:

Amersfoort, Rotterdam-IJsselmonde, Roosendaal, Venlo, (tranche 1) Hengelo, Maastricht, Sas van Gent, Sittard (tranche 2) Almelo, Delfzijl, Deventer, Arnhem Goederen (tranche 3) en Roermond en Arnhem Berg. Aan maatregelen voor de vier emplacementen in tranche 1 is de afgelopen jaren reeds uitvoerig aandacht besteed; voor de emplacementen in tranche 2 zal dit vooral in 2001 gebeuren. De emplacementen in tranche 3 zijn minder spoedeisend; deze worden ná 2001 aangepakt. De laatste twee emplacementen (Roermond en Arnhem-Berg) worden niet langer als PAGE-relevant beschouwd. Roermond vanwege een later geconstateerde berekeningsfout en Arnhem Berg vanwege separaat van het PAGE traject uitgevoerde infrastructurele aanpassingen.

36

Volgens Railion betekent de sluiting van bepaalde emplacementen en/of sluiting van bepaalde routes de facto een verbod van vervoer per spoor. Kan de regering hierop een reactie geven?

Zoals in de recente brief over het kabinetsbeleid inzake externe veiligheid (vergaderjaar 2001–2002, 26 604, nr. 13) is aangegeven zal het vervoer van gevaarlijke stoffen per spoor worden gereguleerd. Er zullen spoorroutes worden aangewezen waar het vervoer niet is toegestaan, routes waarbij het vervoer gebonden zal worden aan grenzen en routes waar het vervoer van gevaarlijke stoffen wordt toegestaan. Over de uitwerking hiervan wordt de Tweede Kamer naar verwachting nog dit jaar geïnformeerd. Voor wat betreft de spoorwegemplacementen zullen in het reeds afgesproken PAGE-traject dat loopt tot 2006 maatregelen worden doorgevoerd, met het bevoegd gezag afspraken worden gemaakt ten aanzien van de in de toekomst nog toegestane vervoersmogelijkheden en afspraken worden gemaakt ten aanzien van de randvoorwaarden voor de ruimtelijke ordening in de omgeving van het emplacement. Ook de financiering van de verplaatsing van spoorweg- emplacementen, waarover een volgend kabinet beslist in het kader van ICES, speelt een belangrijke rol. In aanvulling op het PAGE-traject zal, zoals in bovengenoemde brief is aangegeven, de mogelijkheid worden onderzocht om via milieuvergunningen over te gaan tot regulering van rangeeractiviteiten met wagons met de belangrijkste gevaarlijke stoffen op de betreffende emplacementen. Het voorgaande betekent niet de facto een generiek verbod van vervoer per spoor. Wel dient de vervoersstroom te passen binnen de grenzen die ten aanzien van de veiligheid worden gesteld.

37

Zal ondanks de strengere emissie-eisen de NOx-uitstoot toch niet

toenemen, onder meer door de groei van het wegverkeer?

In het jaar 2000 bedroeg de NOx-emissie voor alle doelgroepen tezamen 421 kton, waarvan 283 voor rekening kwam van het verkeer (RIVM, Milieubalans 2001).

Voor het jaar 2020 heeft het RIVM een NOx-emissie berekend die, afhankelijk van het gebruikte scenario, tussen de 260 en 300 kton ligt. Het verkeer-saandeel bedraagt daarbij 150–200 kton. Dit is echter aan de hoge kant, gelet op de verdere penetratie in het wagenpark van voertuigen die voldoen aan de huidige en toekomstige EU-normen voor NOx. Zowel de totale NOx-emissie als de verkeersemissie nemen dus af. De strengere emissie-eisen hebben een groter effect dan de volumegroei (RIVM, Nationale Milieuverkenning 2000–2030).

De nationale doelstelling voor NOx in 2010 is in het NMP4 gesteld op 231 kton. De taakstelling voor de sector verkeer in NMP4 en NVVP is vastgesteld op 150 kton in 2010.

Voor 2030 zijn door het RIVM alleen scenarioberekeningen voor de totale emissie gemaakt. Deze komen uit op 280–340 kton. Ook hier is dus nog steeds een afname ten opzichte van 2000, maar wel een toename ten opzichte van 2020.

NMP4-transitiebeleid is in deze berekeningen nog niet verwerkt. De richtinggevende doelstellingen voor 2030 uit het NMP4 – die wèl uitgaan van transities – reiken tot 70–120 kton, daarmee de dalende trend 2000–2020 voortzettend.

38, 172 en 173

Uit berekeningen van het RIVM blijkt dat, bij ongewijzigd beleid, in 40%

van de natuurgebieden van de EHS het geluidsniveau hoger zal zijn dan

het natuurlijke achtergrondniveau. Waarom ontbreekt dan een doelstelling

voor het landelijk gebied?

In het NMP4 wordt gesteld dat de geluidbelasting van woningen niet

hoger mag zijn dan 70 dB. De huidige streefwaarde is 50 of 55 dB. 75%

van de woningen ondervindt volgens het RIVM geluidhinder van meer

dan 50 dB. Is de streefwaarde daarom verlaagd?

Kan de regering het doel «forse verbetering van de akoestische kwaliteit

in het stedelijke gebied in 2010» nader preciseren Welke maatregelen wil

zij nemen om de akoestische kwaliteit in de EHS te verbeteren?

In het NMP4 is een nieuwe doelstelling geformuleerd voor het geluids-beleid,welke correspondeert met het MIG-kader. Dit was nodig omdat in NMP3 werd geconstateerd dat de bestaande doelstelling te ambitieus was.

Als basis voor de nieuwe doelstelling is ervoor gekozen te komen tot gebiedsgericht geluidbeleid, waarbij gestreefd wordt naar de passende akoestische kwaliteit die bij een gebied of functie hoort. Het NMP legt een ondergrens vast waaraan in ieder geval moet worden voldaan. Het is verder aan de gemeente of provincie de kwaliteitsambities (daarboven) te formuleren en te realiseren.

EHS en landelijk gebied:

Voor de akoestische kwaliteit in de EHS is als doelstelling geformuleerd dat deze in 2010 niet is verslechterd ten opzichte van 2000. In 2030 moet de gewenste akoestische kwaliteit in de EHS-gebied zijn gerealiseerd. Ook voor de rest van het landelijk gebied geldt dat in 2030 de gewenste akoestische kwaliteit gerealiseerd moet zijn. Maatregelen die worden ingezet zijn bijvoorbeeld dubbellaags ZOAB en ruimtelijke ordeningsmaatregelen. Het rijk zal zich op Europees niveau inzetten voor het aanscherpen van eisen aan voertuigen.

Stedelijk gebied en woningen:

Ook voor woningen geldt dat de gewenste akoestische kwaliteit gebiedsgericht zal worden bepaald. Verschillende groepen mensen stellen verschillende eisen stellen aan akoestische situaties bij de woning. De lokale overheid kan door middel van maatwerk de differentiatie in de leefomgeving realiseren. Het rijk stelt hierbij als grens dat geluidsniveau niet hoger mag zijn dan 70 dB(A). In het wetsvoorstel MIG is de streefwaarde van 50 dB(A) voor het stedelijk gebied opgenomen als richt-waarde.

39

Zelfs als de doelstellingen voor ozon en fijn stof gehaald zouden worden, zullen ze nog te hoog zijn en leiden tot de aantasting van de gezondheid van de bevolking. Waarom worden er dan geen strengere eisen gesteld?

Bij de huidige wetenschappelijke inzichten bestaan er geen veilige concentraties voor fijn stof en ozon. Voor de lange termijn bestaat het doel er dan ook uit het natuurlijke achtergrondniveau zo dicht mogelijk te benaderen. Hierop zijn de richtinggevende doelstellingen voor 2030 gebaseerd, welke gerealiseerd dienen te worden in het kader van de transitie naar een duurzame energie huishouding.

In het kader van de EU wordt de komende jaren nader bezien welke luchtkwaliteitdoelstellingen mede in relatie tot de NEC richtlijn nagestreefd worden op Europees niveau. Met het bestaande NMP3 beleid wordt reeds een grote inspanning gedaan om de emissies van VOS, NOx en fijn stof terug te dringen. Met de in NMP4 beschreven transitie naar een duurzame energie huishouding wordt een verdergaande inspanning gerealiseerd. Echter de concentratie van deze stoffen in ons land wordt ook in sterke mate veroorzaakt door emissies buiten Nederland. Bovendien is het verkeer een belangrijk bron. Emissiereductie bij het verkeer moet met name plaatsvinden door internationaal vastgestelde emissie-eisen voor voertuigen.

40

Is transitie een maatschappelijk veranderingsproces waarbij technologische, economische, sociaal-culturele en institutionele veranderingen op elkaar inwerken, die zodoende een proces van duurzame ontwikkeling versterken?

Ja. Transities kunnen gezien worden als systeeminnovaties, gericht op het bereiken van een duurzame situatie, en daarmee bijdragend aan een proces van duurzame ontwikkeling. Dergelijke systeeminnovaties zijn per definitie zo ingrijpend dat sprake zal zijn van alle in de vraag genoemde veranderingen.

41

Hoe moeten de kwaliteitsbeelden geïnterpreteerd worden? Zijn dit vage, flexibele wensen van de regering, of gaat er een duidelijke sturing voor het overheidshandelenvan uit?

De kwaliteitsbeelden zijn geen vage, flexibele wensen. Er gaat sturing van uit bijvoorbeeld op het overheidshandelen. De kwaliteitsbeelden drukken de algemene milieu-ambitie uit die het kabinet binnen het gehele milieubeleid nastreeft.

De realisatie van deze kwaliteitsbeelden stelt eisen aan de kwaliteit van het milieu in termen van bijvoorbeeld de kwaliteit van bodem, water en lucht. Deze milieukwaliteitscondities, die kunnen worden afgeleid van de kwaliteitsbeelden, zijn ook vermeld in het NMP4 . De milieukwaliteitscondities zijn op hun beurt de basis voor de hoeveelheid aan emissies die in het milieu kunnen worden gebracht. Uitgaande van de milieukwaliteitscondities zijn zodoende lange termijn ambities in de vorm van richtinggevende doelstellingen bepaald voor de milieuproblemen waarop het NMP zich richt, die zodanig zijn dat deze corresponderen met de realisatie van de kwaliteitsbeelden.

42, 137, 142, 147 en 162

Waarom moet het groepsrisico worden afgewogen op basis van kosten en

baten, en geldt dit niet voor het plaatsgebonden risico?

Wat is het minimale beschermingsniveau voor burgers met betrekking tot

gevaarlijke stoffen?

Hoe worden de incidentele gevallen bepaald, waarvoor het verschil tussen

bestaande en nieuwe situaties ten aanzien van risiconormen gehandhaafd

blijft?

De oriënterende waarde van het groepsrisico is in de maatschappelijke

afweging een ijkpunt. Hoe denkt de regering willekeur te voorkomen?

Is het waar dat de mogelijkheid bestaat om af te wijken van de normen

voor het individueel risico op basis van een ministeriële ontheffing? Zo ja,

kan hierop een toelichting worden gegeven?

Het plaatsgebonden risico geeft burgers een minimum beschermingsniveau met betrekking tot risicovolle activiteiten. De veiligheid voor het individu dient los te staan van de maatschappelijke baten van een bepaalde, specifieke activiteit, een kwestie van beschaving en fatsoen. Welk niveau van bescherming daarbij in het algemeen is gekozen heeft zijn beslag gekregen in het NMP1. Door het plaatsgebonden risico vast te leggen als grenswaarde wordt de veiligheid van de individuele burger gegarandeerd als minimaal beschermingsniveau. Voorop staat dan ook dat geen generieke uitzonderingsgronden in de aangekondigde regelgeving zullen worden opgenomen met betrekking tot de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico voor bestaande en nieuwe situaties. Van het opheffen van het verschil tussen bestaande en nieuwe situaties kan slechts in zeer incidentele gevallen worden afgeweken. Bijvoorbeeld wanneer internationale verdragsverplichtingen dit beletten of wanneer dit grote schade toebrengt aan de nationale economie, dan wel grootschalige sloop van bestaande bebouwing met zich meebrengt. Dit krijgt, zoals is aangegeven in het NMP4, zijn vertaling door het opnemen in de in hoofdstuk 9 genoemde amvb’s van een hardheidsclausule, met daarbij procedures voor het toepassen van deze hardheidsclausule. Of een ministeriële ontheffing daarvan onderdeel uit maakt zal nader worden bezien.

Bij het groepsrisico is bij uitstek de vraag aan de orde of risico’s van een bepaalde activiteit, gelet op de omvang van een onverhoopte ramp gegeven de kans daarop, aanvaardbaar is. De aanvaardbaarheid van groepsrisico’s is een politieke afweging per voorkomend geval van de risico’s tegen de maatschappelijke baten en andere kosten van een risicovolle activiteit. Hierbij geldt een oriënterende waarde voor het groeps-risico welke richtinggevend is. Deze waarde is al in eerdere NMP’s vastgelegd.

De in het NMP4 geschetste aanpak maakt het mogelijk dat in verschillende situaties verschillende niveaus van groepsrisico worden geaccepteerd zonder dat sprake is van willekeur, gelet op het feitelijk verschil per situatie van de in geding zijnde maatschappelijke kosten en baten. Nader bezien wordt nog hoe het omgaan met groepsrisico’s in wetgeving geregeld kan worden. Hierover zal het kabinet uiterlijk in 2003 een besluit nemen.

43 en 163

In hoeverre is de eis, dat het groepsrisico aanvaardbaar is op basis van

een afweging van kosten en baten, en het afleggen van verantwoording,

van toepassing op de luchtvaart?

Waarom wordt er voor Schiphol geen groepsrisico gehanteerd?

Het niet toepassen van de oriënterende waarde groepsrisico bij Schiphol was gebaseerd op de grote economische baten van Schiphol. In het overleg over de Schipholwet van 8 oktober jl. tussen de ministers van V&W en van VROM en de vaste kamercommissie voor Verkeer en Vervoer werd door veel fracties aangedrongen op het introduceren van een groepsrisicomaat. De ministers hebben daarop aangekondigd dat in 2005 een groepsrisicomaat wordt geïntroduceerd, mede op basis van het in ontwikkeling zijnde causale model. Deze maat moet wel recht doen aan het karakter van de luchtvaart en handhaafbaar zijn. In opdracht van de minister van VROM worden in aanvulling op het MER-Schiphol 2003 groepsrisicoberekeningen uitgevoerd.

Voor de komende jaren zal groepsrisicobeleidgevoerd worden via algemene ruimtelijke ordeningsmaatregelen (effectbeleid via sloop en bouwbeperkingen) en handhaving op de grenswaarde Totaal Risicogewicht (TRG; bronbeleid).

Er lopen, naast de maatregelen in de voorstellen voor de nieuwe Wet Luchtvaart, afspraken tussen de minister van VROM en de regio waarbij maatschappelijke kosten en baten een rol spelen. Deze afspraken zullen worden vastgelegd in de Vijfde Nota Ruimtelijke Ordening.

Kan de regering een vertaling maken, van de eisen voor de mondiale beschikbaarheid van natuurlijke hulpbronnen en de mondiale biodiversiteit, naar de Nederlandse bijdrage aan dit mondiale kwaliteitsbeeld?

Het is op dit moment niet mogelijk een rechtstreekse vertaling te maken Hiervoor is nadere studie noodzakelijk. De studie richt zich op vertaling naar acties van Nederland op zowel nationaal als internationaal niveau. Wel zijn er al deelanalyses gemaakt. Daarbij is het van belang dat de eisen voor behoud en duurzaam gebruik van biodiversiteit in het nationale beleid worden ingebed. Daarbij wordt vooral gebruik gemaakt van bestaande kaders (o.a. natuur-, milieu en ruimtelijke ordeningsbeleid). Voor enkele economische sectoren zal een plan van aanpak worden opgesteld.

Over de internationale acties op de korte termijn voor behoud en duurzaam gebruik van de mondiale biodiversiteit van de verschillende departementen komt eind van dit jaar het Beleidsprogramma Biodiversiteit Internationaal (BBI) uit.

Voor de langere termijn en de invulling van het beleid in het kader van de transitie zullen ook nadere studies worden uitgezet.

45

Is het mogelijk wetenschappelijk vast te stellen wat de vereiste kritische

massa is die nodig is voor goed werkende regulatiefuncties?

Het is wellicht mogelijk om risico’s voor regulatiefuncties wetenschappelijk te bepalen. De bepaling welk risico aanvaardbaar wordt geacht is een maatschappelijke afweging en onderwerp van politieke besluitvorming. Met de huidige stand van kennis is het evenwel niet mogelijk om de benodigde «kritische massa» die nodig is voor het in stand houden van de regulatie functies te bepalen. Een internationaal netwerk van experts verwacht over vier jaar met de resultaten te komen van de «Millennium Ecosystem Assessment», waarin wordt beoogd om tot een gefundeerd wetenschappelijk oordeel te komen over de «kritische massa» die nodig is voor het in stand houden van regulatiefuncties.

Die regulatie functies staan nu (mondiaal en lokaal) ernstig onder druk en het is duidelijk dat het herstel van aangetaste regulatiefuncties erg moeilijk zal zijn.. Het huidige beleid is er op gericht om de druk op de regulatiefuncties te verminderen. Dit zal worden geïntensiveerd door middel van de transitie biodiversiteit en natuurlijke hulpbronnen. Het ontbreken van wetenschappelijke onderbouwing is, geheel volgens het voorzorgbeginsel, geen reden om bij mogelijk ernstig gevaar af te zien van maatregelen.

46

Zouden redelijk ontwikkelde landen als China en Brazilië niet tenminste

een evenredig aandeel in de internationaal te bereiken milieu-ambities

moeten hebben, bijvoorbeeld wanneer het gaat om de reductie van

broeikasgassen.

Redelijk ontwikkelde landen zoals China en Brazilië hebben een evenredig aandeel in de internationaal te bereiken milieu-ambities. Deze landen leveren inspanningen, zonder dat zij bindende reductie verplichtingen zijn aangegaan. De kwestie van de verdeling van de milieu-ambities over de ontwikkelde en de minder ontwikkelde landen is onder meer uitvoerig aan de orde geweest bij de onderhandelingen over het VN Raamverdrag inzake Klimaatverandering (1992)en het onder dit verdrag ressorterende Kyoto protocol (1997). Een van de principes die in dit verband is aanvaard heeft betrekking op de voortrekkersrol die ontwikkelde landen bij het bestrijden van het versterkte broeikaseffect dienen te vervullen. Deze voortrekkersrol wordt gebaseerd op de gemeenschappelijke, maar gedifferentieerde verantwoordelijkheden en respectievelijke mogelijkheden van de ontwikkelde en ontwikkelingslanden bij de bestrijding van het versterkte broeikaseffect. Deze voortrekkersrol betekent onder andere dat ontwikkelde landen bindende reductie verplichtingen zijn aangegaan. In het Kyoto protocol heeft dit principe geresulteerd in concrete uitworpdoelstellingen voor de ontwikkelde landen voor de eerste budgetperiode 2008–2012.

48

Gesteld wordt dat Nederland een meer dan evenredig aandeel in de internationaal te bereiken milieuambities voor haar rekening zou moeten nemen. Hoe verhoudt zich dit echter tot de kosteneffectiviteit, en de toepassingvan het preventiebeginsel in ontwikkelingslanden?

Het succes van de aanpak van de grote internationale milieuproblemen zal sterk worden bepaald door de mate van internationale overeenstemming over doelstellingen.

Deze overeenstemming zal slechts mogelijk blijken te zijn als er een rechtvaardige verdeling van de kosten en baten van het beleid tot stand komt. Hierbij is erkenning van het recht van arme landen om economisch tot ontwikkeling te komen van belang. Hieruit volgt dat rijke landen, zoals Nederland, die nu een onevenredig beslag leggen op natuurlijke hulpbronnen en biodiversiteit in de wereld, een meer dan evenredig deel van de milieuambities voor hun rekening moeten nemen. Hiertegenover staat dat andere landen dan verantwoordelijkheid nemen voor het oplossen van hun eigen milieuproblemen.

Deze benadering verhoudt zich goed tot beleidsuitgangspunten als preventie en kosteneffectiviteit. Immers het gaat om het opheffen van een situatie waarin een groep landen een onevenredig beslag leggen op hulpbronnen en biodiversiteit. Bovendien worden instrumenten als verhandelbaarheid juist ingezet om de kosteneffectiviteit te vergroten.

49

Worden de richtinggevende doelstellingen periodiek herzien?

De richtinggevende doelstellingen zijn opgesteld als uitwerking van de kwaliteitsbeelden die het kabinet heeft geformuleerd. Op basis van deze kwaliteitsbeelden en de huidige inzichten zijn de richtinggevende doelstellingen berekend.

Het kabinet is van mening dat deze doelstellingen haalbaarheid én duurzaamheid in zich verenigen. Alleen als tijdens de transitieprocessen sprake zal blijken te zijn van nieuwe inzichten ten aanzien van haalbaarheid of duurzaamheid, is wijziging bespreekbaar. Daarbij is ook van belang dat in een aantal gevallen internationale afstemming nodig is. Het is zeker niet het voornemen deze doelstellingen periodiek te herzien.

50

Gesteld wordt dat zoveel mogelijk aansluiting wordt gezocht bij het schaalniveau waarop de oplossingen zich aandienen. Welke concrete acties heeft de regering op dit punt ondernomen, mede gelet op de aangenomen motie-Klein Molekamp c.s. (27 400 XI, nr. 24)?

Mede naar aanleiding van genoemde kamermotie is in hoofdstuk 4 het beleid geformuleerd voor de aanpak van internationale milieuproblemen. Voor de aanpak van deze problemen staat samenwerking binnen de EU voorop. De EU is voor Nederland het primaire kader om bindende afspraken aan te gaan, ook voor mondiale milieuvraagstukken. In de latere hoofdstukken wordt deze beleidslijn concreet gemaakt voor de in die hoofdstukken aan de orde zijnde onderwerpen, mede in relatie met de schaalniveau’s waarop de milieuproblemen spelen en oplossingen zich aandienen.

Bijvoorbeeld voor het onderwerp Emissies, Energie en Mobiliteit wordt op blz. 86 van het NMP4 aangegeven dat zodra en zolang de mondiale samenwerking voortgang boekt, Nederland zich in EU-verband ten volle zal inzetten om vervolgafspraken over emissiereductie te maken en zich eraan te houden. Maar wanneer de mondiale samenwerking stokt, zal Nederland het beleid niet stilzetten. Verdere aanpak van CO2zal in deze situatie maar beperkt mogelijk zijn, maar de reductie van de overige energiegerelateerde emissies zal onverminderd doorgaan, gelet op de in Europa reeds aangegane commitments. In dat geval zal Nederland zich in EU-verband en via allianties met andere landen inspannen om synergie in de oplossingen te bereiken: gezocht wordt naar oplossingen voor deze emissies die tegelijkertijd een bijdrage leveren aan CO2-reductie (zie ook antwoord op vraag 106).

Zo is het lokale niveau in hoofdstuk 11 over de leefomgeving aan de orde.

53

Kunnen concrete producten of activiteiten worden genoemd die nu nog

niet kunnen worden verboden, maar waarvan het risico in verhouding tot

het maatschappelijk nut te hoog is? Vallen hier ook vakantievluchten

onder?

De in NMP4 beschreven benadering van voorzorg betekent dat de overheid meer dan voorheen risico’s tijdig wil signaleren, het risico wil inschatten en waar dat nodig is passende maatregelen wil nemen. Soms betekent het nemen van passende maatregelen dat in EU-kader gewerkt moet worden aan het verbieden van stoffen of afspreken van beperkingen in het gebruik. Voorbeelden van concrete producten of activiteiten die nu nog niet kunnen worden verboden, maar waarvan het risico in verhouding tot het maatschappelijk nut te hoog is zijn vooral te vinden in producten waarvoor nationaal is bepaald dat uitfasering wenselijk is maar waarvoor de effectuering daarvan in EU verband moet plaatsvinden. Bijvoorbeeld bepaalde oplossingsmiddelen in verf, bepaalde houtduurza-mingsmiddelen en toepassing van kwik in bepaalde producten. Vakantie-vluchten vallen hier dus niet onder.

54

De bewijslast dat een activiteit, stof of product veilig is, zou moeten verschuiven van de overheid naar het bedrijfsleven. Kan worden aangegeven tot welke lastenverzwaring dit voor het bedrijfsleven zal leiden?

Op dit moment kan niet worden aangegeven of en welke lastenverzwaring voor het bedrijfsleven zal optreden. De achtergronden hiervan zijn dat:

  • • 
    de kennis over een grote groep stoffen ontbreekt;
  • • 
    het stoffenbeleid dat nu in ontwikkeling is, nog onvoldoende is uitgewerkt om nu al vast te stellen welke kosten hieruit zullen voortvloeien. De nog te maken quick-scan van de stoffen zal inzicht geven in welke stoffen in de verschillende gevaarsklassen vallen. Ook moet nog met het bedrijfsleven afgesproken worden in welke vorm de rapportages plaats moeten vinden. Het bedrijfsleven heeft in het overleg met de overheid aangegeven dat zij veel kennis over de stoffen bezit, waardoor er relatief weinig aanvullend onderzoek nodig is. Overigens moet niet geïsoleerd naar de kosten van het nieuwe stoffenbeleid worden gekeken, maar ook naar de baten. De samenleving heeft baten als er minder gezondheids- en milieuschade optreedt door schadelijke stoffen in het milieu. Door de voorzorgsbenadering wordt nu voorzien dat het bedrijfsleven door het nieuwe stoffenbeleid minder risico loopt om hoge schadeclaims te krijgen.

55

Deelt de regering de mening dat het in gang zetten en bereiken van transities een zeer sterke regie vraagt? Deelt zij ook de mening dat daadwerkelijke en inhoudelijke participatie van, en draagvlak bij maatschappelijke organisaties en medeoverheden een voorwaarde is? Hoe denkt de regering aan deze voorwaarde tegemoet te komen en welke initiatieven ontplooit zij daartoe?

Transities vragen om een sterke overheid, die verschillende rollen moet kunnen spelen.In paragraaf 4.3 zijn deze rollen benoemd in termen van schakelen, stimuleren, de juiste omstandigheden scheppen en sturen en handhaven. Het realiseren van de noodzakelijke transities is geen zaak van de overheid alleen. Brede maatschappelijke betrokkenheid is nodig en partijen moeten hun verantwoordelijkheid nemen.

Het kabinet zal in het eerste kwartaal van volgend jaar voor de verschillende transities een uitvoeringsagenda uitbrengen waarin onder andere wordt ingegaan op de vraag hoe de diverse actoren worden betrokken bij een transitie. Op basis van deze uitvoeringsagenda’s en het overleg met diverse actoren worden uitvoeringsprogramma’s opgesteld, die zo mogelijk nog voor de zomer beschikbaar komen.

56

Deelt de regering de mening dat zij een aanzienlijke inspanning zal moeten leveren op het punt van het bijeenbrengen van maatschappelijke organisaties en medeoverheden als het gaat om verdere verduurzaming van de landbouw? Kan zij haar antwoord toelichten aan de hand van de ontwikkelingen in het gewasbeschermingsmiddelendossier in de afgelopen drie jaren?

Ja, bij het vormgeven van de verduurzaming van de landbouw spelen naast het landbouwbedrijfsleven de consumenten, detailhandel, toeleverende en verwerkende bedrijven, natuur- en milieuorganisaties en medeoverheden een belangrijke rol. De overheid heeft daarbij een taak om partijen bij elkaar te brengen.

Een voorbeeld uit het gewasbeschermingsdossier is het totstandkomen van de nota Zicht op gezonde teelt, die onlangs aan de Tweede Kamer is aangeboden. De nota is gericht op het terugdringen van de afhankelijkheid van chemische gewasbeschermingsmiddelen. Bij het opstellen van die nota is gekozen voor een interactief proces waarbij alle actoren zijn betrokken. Ook bij de discussie over landbouwkundig onmisbare gewasbeschermingsmiddelen is de inzet geweest om met behoud van ieders verantwoordelijkheid in overleg met de meest betrokken maatschappelijke organisaties tot een gemeenschappelijke aanpak te komen.

57

Hoe kan de overheid er voor zorgen dat maatschappelijke baten al op

kortere termijn verdisconteerd kunnen worden?

De overheid weegt maatschappelijke baten af tegen maatschappelijke kosten bij het formuleren van doelstellingen en bij het inzetten van instrumenten. Als de overheid tot de conclusie zou komen dat maatschappelijke baten onvoldoende zijn meegewogen in haar beleid kan ze doelstellingen aanpassen of andere instrumentatie kiezen. Dit kan in principe op korte termijn gebeuren.

59

Is er een adequaat monitoringssysteem voor het transport en de bestemming van chemische stoffen, met het oog op oneigenlijk gebruik (bijvoorbeeld terrorisme of productie van XTC)

Een speciaal voor dit doel ontwikkeld systeem is niet als zodanig aanwezig. Wel beschikt de Douane over het Sagitta-systeem, waarmee op grond van de herkomst en bestemming van stoffen en producten risicoanalyses worden gemaakt ten behoeve van opsporing en handhaving.

60

Kan de regering een overzicht geven van de opbrengst van groene belastingen, als percentage van de totale belasting opbrengst, in de overige EU-landen?

Het meest recente overzicht bevat cijfers van 1997 conform de volgende tabel.

Opbrengsten van milieubelastingen door lidstaten van de EU in 1997, als % van de totale opbrengst van belastingen en sociale premies energie transport overig

Totaal

GR

IT

LU

PT

UK

SP

SW

IR

FI

DK

NL

DE

FR

AT

BE

EU

 

8%

1%

0%

9%

7%

1%

0%

8%

7%

0%

0%

8%

7%

3%

0%

10%

6%

2%

0%

8%

5%

1%

0%

6%

5%

1%

0%

6%

5%

4%

0%

9%

5%

2%

0%

7%

5%

4%

1%

10%

4%

3%

2%

9%

4%

1%

0%

5%

4%

1%

1%

6%

4%

2%

0%

5%

4%

2%

0%

5%

5%

1%

0%

7%

64

Hoe ziet de regering de rol van scenario’s in het transitiebeleid?

Scenario’s kunnen zoals gesteld in het NMP4 gebruikt worden om verschillende toekomstbeelden en richtingen te verkennen in het licht van de gewenste transities. Blijken in verschillende scenario’s bepaalde instrumenten of bepaalde systeeminnovaties steeds substantieel bij te dragen aan het bereiken van het doel, dan kan met enige zekerheid gesteld worden dat die instrumenten en systeeminnovaties «robuust» zijn, dat wil zeggen dat inzet daarvan tot succes zal leiden. Scenario’s zijn om die reden een belangrijk instrument binnen het transitiebeleid.

65, 116 en 117

De beleidslijn van het NMP4 leidt ertoe dat de koeien niet meer in de wei mogen lopen. Kan worden toegelicht hoe dit zich verhoudt tot het beleid van het ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, waarin juist wordt aangekoerst op een beleid waarbij koeien wél in de wei staan? Spreekt de regering hier wel met één mond?

Staat de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer nog steeds achter zijn opvatting, gegeven tijdens de persconferentie bij de presentatie van het NMP4, dat koeien in de wei (de weidegang) bijdragen aan de aantrekkelijkheid van het Nederlandse landschap? Welke beleidsconsequenties vloeien hieruit voort? Is de regering bereid de minder sterke ammoniakreductie, die daarmee samenhangt, te accepteren? Hoe worden hier de kosten en de baten tegen elkaar afgewogen? Is het voorstel om de koeien minder in de wei te laten, niet tegenstrijdig met de Reconstructiewet?

De wijze waarop in het NMP4 de onderwerpen milieu, natuur en landbouw worden behandeld is volledig in lijn met het beleid rond de veehouderij. In het NMP4 is uitgaande van de natuurambities van het kabinet, zoals vastgelegd in de nota Natuur voor mensen , mensen voor natuur, aangegeven welke richtinggevende 2030-doelstellingen voor ammoniak, nitraat, fosfaat , zware metalen en verdroging hieruit voortvloeien. Vervolgens zijn de gevolgen van de ammoniak en nitraat doelstellingen geschetst in termen van emissievrije/arme stallen, de omvang van de veestapel en de weidegang van koeien Daarbij is met het oog op een maximale emissie reductie een inschatting gemaakt van de ontwikkelingen in de milieutechniek waarbij rekening wordt gehouden met de eisen die vanuit andere gezichtshoeken worden gesteld. Zo wordt een toekomstbeeld verkregen waarbij de koeien vanwege de eisen op het gebied van dierenwelzijn en diergezondheid in emissiearme natuurlijk geventileerde stallen worden gehuisvest. Vanwege de verschillende eisen op het gebied van nitraat, fosfaat, ammoniak en dierenwelzijn wordt een zogenaamde beperkte weidegang voor melkkoeien als een optimum gezien. In plaats van de alternatieven: onbeperkt weiden of permanent opstallen van koeien. Bij een beperkte weidegang lopen de koeien in de weide periode plus minus 10 uur per dag in de wei. Uitgaande van de mogelijke ontwikkelingen in de milieutechniek is vervolgens berekend welke omvang de veestapel dan zou kunnen hebben om de o.a. de ammoniakdoelstelling te behalen. Halveren van de veestapel is dus geen beleidsdoelstelling maar een weergave van de mogelijke gevolgen die de transitie naar een duurzame landbouw kan hebben.

Overigens laat de Reconstructiewet ruimte om te differentiëren naar gebiedskwaliteit. Indien weidegang van koeien een onderdeel vormt van de gebiedskwaliteit, dan kunnen provincies hierop inspelen binnen de kaders van het Reconstructieplan.

66

Kan worden toegelicht waarom in het NMP4 de doelstelling van 128 kton ammoniak is opgenomen, terwijl in Europees verband 100 kton is afgesproken?

De regering stelt zich in NMP4 ten doel om uiterlijk in 2010 de ammoniak-emissie terug te brengen naar maximaal 100 kton per jaar. Het gaat hier om een inspanningsverplichting. Voor deze verdergaande emissiedoelstelling is om drie redenen gekozen: ten eerste om een veiligheidsmarge in te bouwen om ook bij tegenvallers de internationale verplichtingen na te kunnen komen; ten tweede om de voortrekkersrol die Nederland, samen met een aantal landen binnen Europa wil vervullen; ten derde biedt een verdergaande reductie extra bescherming voor de Nederlandse natuur.

In Europees verband is de National Emission Ceiling (NEC) richtlijn van kracht. Het Nederlandse jaarlijkse nationale emissieplafond voor ammoniak is daarbij vastgesteld op 128 kiloton, te realiseren uiterlijk 2010. Het gaat hierbij om een resultaatsverplichting.

67

Welke doelstellingen en maatregelen zullen worden getroffen om emissies van het vliegverkeer te beperken? Is er in de nabije toekomst sprake van invoering van de vliegtax, of wordt deze op Europees niveau gestimuleerd?

Voor wat betreft emissies van de luchtvaart wordt in het algemeen onderscheid gemaakt in lokale emissies (emissies tijdens starten, landen, taxiën: stoffen die gezondheidsschade kunnen veroorzaken), en emissies tijdens de rest van de vlucht. Laatstgenoemde emissies betreffen met name de broeikasgassen.

Voor de luchtvaartsector op Schiphol worden voor vijf stoffen emissie-plafonds vastgelegd gericht op het beheersen van de lokale emissies. Bij het vaststellen van de hoogte van de plafonds wordt rekening gehouden met het effect van emissiereducerende maatregelen. Deze emissie-plafonds stellen een harde grens aan de emissies per gecorrigeerde vliegtuigbeweging.

Voor de luchtvaart op de regionale en kleine luchtvaartterreinen wordt momenteel onderzoek gedaan naar het instellen van een CO2-plafond. CO2 is daarbij gekozen als indicator voor de relevante lucht-verontreinigende stoffen.

Voor wat betreft het beperken van de mondiale broeikasgas-emissies wordt binnen de Europese Unie en de internationale burgerluchtvaart-organisatie (ICAO) overleg gevoerd. Het overleg betreft:

  • • 
    Het invoeren van marktconforme maatregelen zoals een open systeem van emissiehandel, emissieheffingen, accijns op kerosine en conven-anten (EU en ICAO);
  • • 
    Het stellen van eisen aan de vliegtuigmotoren voor wat betreft emissies tijdens de kruisvlucht (ICAO);

ICAO heeft in grote lijnen aangegeven op welke manier emissies vanuit de internationale luchtvaart zullen moeten worden beperkt (op korte termijn vrijwillige afspraken en mogelijk heffingen, later een open emissiehandelsysteen). Belangrijke vragen, vooral met betrekking tot een emissieplafond en de allocatie daarvan staan nog open. De EU heeft in het zesde Milieuactieprogramma aangegeven zelf met specifieke acties te komen, als ICAO dit in 2002 nog niet heeft gedaan. Op dit moment wordt door de Europese Commissie gestudeerd op een Europese milieuheffing op luchtvaart. Nederland dringt er sterk op aan dit onderzoek met prioriteit voort te zetten. Het is van belang dat niet alleen de EU maatregelen neemt, maar dat dit ook buiten de EU gebeurt.

68

Heeft de relatieve ontkoppeling niet mede door import van energie uit het buitenland plaats kunnen vinden? Hoe gaat de regering hier in de toekomst mee om?

De in 1999 opgetreden toename van import van elektriciteit heeft er onmiskenbaar voor gezorgd dat de CO2-emissie in dat jaar omlaag is gegaan. Maar los daarvan blijkt uit de analyse ook dat in de jaren daarvóór en opnieuw in 2000 zowel het energiegebruik als de CO2-emissie slechts een geringe stijging vertonen bij een hoge economische groei. Dit effect treedt op naast het importeffect.

Het is duidelijk dat de huidige beleidsinzet onvoldoende is om na 2010 een langdurige daling van de emissies te bewerkstelligen, gegeven verdere economische groei. Mede daarom wordt in het NMP4 ingezet op een transitie naar een duurzame energiehuishouding.

69 en 86

Is de regering van plan om op de korte termijn, als aanvulling op de Uitvoeringsnota Klimaatbeleid, extra beleid te formuleren om na 2010 een langdurige daling van de emissies te bewerkstelligen, rekening houdend met de argumenten van het CPB dat uitstellen van klimaatbeleid meer kosten met zich mee zal brengen?

In hoeverre sluit het huidige klimaatbeleid aan bij de filosofie en randvoorwaarden van de transitieagenda?

Het huidige klimaatbeleid zoals is vastgelegd in de Uitvoeringsnota klimaatbeleid richt zich primair op de korte termijn (tot 2012). In deze nota, met name in het vernieuwingspakket, wordt een aantal oplossingen voor de langere termijn aangedragen. De transitieagenda bouwt hierop voort en zet dit in een bredere en internationale context. De denklijn van de transitieagenda is ook te vinden in de internationale agenda voor het klimaatbeleid. Te denken valt aan studies van IPCC, WEA en OECD.

De transitie naar een duurzame energiehuishouding is er op gericht om op de lange termijn te komen tot substantiële reducties van de energie-gerelateerde emissies, waaronder broeikasgassen. In NMP4 is een aanzet voor een transitieagenda gegeven, zoals het streven naar een verplicht-stelling van klimaatneutrale brandstoffen via de EU-richtlijnen inzake brandstoffen, het verder internaliseren van de externe kosten van het wegvervoer onder andere via de kilometerheffing en het formuleren van programma’s voor onderzoek, ontwikkeling en demonstratie. Met deze agenda wordt voorgesorteerd op de langere termijn. De agenda wordt als eerste stap thans interdepartementaal uitgewerkt.

70

Wat is de concrete invulling van het internaliseren van sociale en milieu-kosten in de energieprijzen? Betekent dit bijvoorbeeld een verbreding van de REB?

Een energiehuishouding is duurzaam als de gebruikte energiebronnen nu en in de toekomst in voldoende mate beschikbaar zijn, als de effecten van het energiegebruik nu en in de toekomst onschadelijk zijn voor de natuur en de mens, als de levering betrouwbaar en veilig is en als een ieder toegang heeft tot energie tegen een redelijke prijs.

Het internaliseren van de milieukosten in de energieprijzen speelt hierbij een essentiële rol en zal verder gestalte krijgen in emissiehandel en/of heffingen op milieugrondslag. Een voorbeeld hiervan is de kilometerheffing. Over het eventueel verbreden van de REB zal het volgende kabinet een definitieve beslissing nemen (zie ook vraag 28). Ook het internaliseren van sociale kosten in de energieprijzen is voor het traject naar duurzame energiehuishouding van belang. Dit is thans nog minder ver uitgewerkt. Een aantal instrumenten voor het internationale klimaatbeleid kunnen wel bijdragen aan het versterken van de sociale pijler van een duurzame energiehuishouding. Instrumenten als Joint Implementation (JI), Clean Development Mechanism (CDM) en in de toekomst zeker internationale emissiehandel, bevorderen de overdracht van kapitaal en hoogwaardige energietechnologie van de westerse landen naar de voormalige Oostbloklanden en ontwikkelingslanden en vergroten daarmee de toegang tot een hoogwaardige energievoorziening van deze landen.

Het effect van deze instrumenten zal des te sterker zijn als er een rechtvaardige en eerlijke verdeling van de emissieruimten (zoals gelijke verdeling per capita) internationaal wordt overeengekomen. Met name dan kunnen deze instrumenten de sociaal-economische ontwikkeling van de voormalige Oostblok- en ontwikkelingslanden versterken.

71

Is een transitie naar een duurzame energiehuishouding in Nederland (en Europa) niet juist extra belangrijk, in plaats van onmogelijk, bij de verwachte en rechtvaardige economische expansie van de ontwikkelingslanden?

Ja, het NMP4 geeft aan dat een transitie naar een duurzame energiehuishouding in Nederland voorstelbaar, haalbaar en betaalbaar lijkt, mits internationaal wordt opgepakt (zie ook 70). Een duurzame energiehuishouding in ontwikkelingslanden is overigens ook noodzakelijk en mogelijk, zie bijvoorbeeld UNDP World Energy Assessment. Hiermee kan worden bijgedragen aan zowel de sociaal-economische ontwikkelingen van deze landen als het behouden van biodiversiteit en natuurlijke hulpbronnen.

In de ontwikkelingslanden doet zich wel het probleem voor dat deze landen over onvoldoende deskundigheid beschikken; het beleid terzake nog ontwikkeld moet worden; nog weinig operationele instrumenten ter beschikking staan en dat een adequaat ontwikkelde marktsector veelal afwezig is.

72

Welke optie voor mondiale verdeling van CO2-emissieruimte heeft de voorkeur van de regering? Gaat zij deze voorkeur ook in internationale gremia uitdragen?

Bij de onderhandelingen over de verdeling van mondiale ruimte voor CO2-emissie over de verschillende landen zal Nederland – in Europees verband – er naar streven dat door het internationaal klimaatbeleid de sociaal-economische ontwikkeling van ontwikkelingslanden niet verder wordt belemmerd maar wordt versterkt. Nederland zal dan met gelijke landen een meer dan evenredig aandeel in de emissiereducties voor zijn rekening moeten nemen. Daarnaast kan bij de onderhandelingen nog een aantal andere criteria een rol spelen. Deze hebben onder andere betrekking op: het verkrijgen van meer zekerheid over deelname van de ontwikkelingslanden aan een mondiaal klimaatbeleid; het optimaal benutten van de mogelijkheden van kosteneffectieve aanpak van emissiereducties; het vermijden van zogenaamde weglekeffecten van emissies naar landen zonder doelstellingen en het stimuleren van ontwikkelingslanden om uitvoering te geven aan een nationaal klimaatbeleid. Het RIVM heeft een tweetal opties voor de verdeling van emissieruimte doorgerekend. Resultaten van dergelijke analysen zullen een rol spelen in de internationale discussies die daarover in de komende jaren zullen worden gevoerd. In de volgende kabinetsperiode zal de positie hierover nader worden bepaald. Besluitvorming over reductieverplichtingen voor een volgende budgetperiode vindt plaats in 2007. Onderhandelingen hierover starten officieel in 2005.

Een verdeling van de mondiale emissies op basis van gelijke emissies per hoofd van de bevolking in de loop van deze eeuw (2030/2050) is een voor de hand liggende keuze.

73

Wordt in het NMP4 het «meest restrictieve criterium» voor de groei van de CO2-emissies, te weten de beperking tot 0,1 graden Celsius temperatuurstijging per decennium, losgelaten?

Neen, de beperking van een 0,1 graden Celsius temperatuurstijging per decennium is één van de reeds vastgestelde milieukwaliteitscondities die is vereist voor het in stand houden van de mondiale beschikbaarheid van natuurlijke hulpbronnen en het beschermen van de mondiale biodiversiteit. Een grotere snelheid van de klimaatverandering dan 0,1 graden Celsius per decennium kan met zich meebrengen dat ecosystemen niet of onvoldoende de gelegenheid krijgen zich aan te passen en daardoor worden aangetast. Dit zou in strijd zijn met het voorzorgbeginsel. (zie NMP4, hoofdstuk 3 (pagina 59) en 5 (pagina 83).

74 en 76

Hoe moeten de richtinggevende doelstellingen voor 2030 ten behoeve van de transitie naar eenduurzame energiehuishouding geïnterpreteerd worden? Zijn dit de nieuwe doelstellingen voor het klimaat- en verzurings-beleid?

In het NMP4 worden voor CO2, NOx, VOS, fijn stof en NH3 richtinggevende reductiedoelstellingen voor 2030 ten opzichte van 1990 gegeven. Wat moet worden verstaan onder «richtinggevend»? Welke commitment verbindt de regering aan deze richtinggevendheid?

In NMP4 zijn de milieuambities voor 2030 uitgedrukt in kwaliteitsbeelden. Wat betreft het klimaat- en verzuringsbeleid zijn deze kwaliteitsbeelden internationaal reeds uitgewerkt in kwalitatieve lange termijn ambities en doelen. Nederland heeft zich in het verleden aan deze ambities gecommitteerd, te weten in het VN klimaatverdrag en EU-verzuringsstrategie (inclusief de EU-richtlijn nationale emissieplafonds) en de UN-ECE Oslo- en Gothenburg protocollen.

Gegeven de tijdshorizon van 2030 heeft het RIVM, op basis van huidige inzichten en kennis, deze kwalitatieve ambities vertaald in lange termijn kwantitatieve emissiedoelstellingen. De lange termijn emissiedoelstellingen als onderdeel van de transitie naar een duurzame energiehuishouding zijn niet eenvoudig te realiseren en zijn mede afhankelijk van internationale samenwerking en technologische ontwikkeling. De lange termijn emissiedoelstellingen zijn dus niet nieuw en ook geen harde verplichtingen voor 2030, maar geven richting naar duurzame ontwikkeling en de gewenste snelheid van de noodzakelijke transitie aan. Ze zullen tevens als basis dienen voor het formuleren van de Nederlandse inzet, veelal in Europees verband, voor internationale onderhandelingen over verdergaande emissiereducties. (zie ook het antwoord op vraag 41)

75

Waarom zijn de doelstellingen voor verzuring (NOx en NH3) lager dan in

het NMP3?

De laatste jaren heeft veel internationaal overleg in de UN-ECE en de EU over verzuring plaatsgevonden, waarbij mede op basis van kosteneffectiviteit gekeken is naar een verdeling van taakstellingen in Europa. In het Gothenburgprotocol en de EU NEC-richtlijn zijn deze taakstellingen vastgelegd. Deze doelstellingen vormden voor het NMP4 het vertrekpunt om een Nederlandse doelstelling te bepalen in het kader van de in het NMP3 aangekondigde evaluatie. Voor deze evaluatie heeft het RIVM onderzoek verricht. In «Bouwstenen voor het NMP4» van het RIVM (rapportnr. 408 129 022/2001) staat overigens dat de emissiedoelen van het NMP3 ook bij uitvoering van het maximaal technisch potentieel in 2010 niet haalbaar zijn. Zie ook antwoord op de vragen 66 en 79.

77

In hoeverre is de garantie te geven dat de richtinggevende reductiedoelstellingen voor energiegerelateerde emissiesworden gerealiseerd?

De richtinggevende emissiedoelstellingen bieden een perspectief en dragen bij aan het formuleren van ambities van betrokken maatschappelijke groeperingen en andere overheden. Verkenningen van RIVM en ECN laten zien dat deze emissiedoelstellingen technologisch haalbaar en macro-economisch betaalbaar lijken te zijn. De uiteindelijke realisatie van de emissiereducties is afhankelijk van internationale samenwerking en de feitelijke technologieontwikkeling en marktpenetratie. Er kunnen daarom geen garanties worden gegeven.

78

De richtinggevende doelstellingen zijn geformuleerd voor West-Europa. Hoe kan het dat in een nationaal milieubeleidsplan sprake is van reductiedoelen voor West-Europa? In hoeverre zijn de andere Europese overheden hierover geconsulteerd?

De lange termijn emissiedoelstellingen zijn gebaseerd op kwantitatieve verkenningen door het RIVM. In de CO2-verkenningen is vastgesteld hoe groot de mondiale emissieruimte is gegeven vastgestelde milieukwaliteitcondities. Daarna zijn modelmatige verkenningen uitgevoerd waarbij de emissieruimte op basis van bepaalde verdelingsmechanismen is toebedeeld naar enkele grote landen en wereldblokken. West-Europa is zo’n wereldblok en de richtinggevende doelstellingen zijn hierop gebaseerd.

Omdat het om richtinggevende lange termijn doelstellingen gaat, heeft het geen zin om nu een verdere toedeling naar lidstaten binnen WestEuropa te maken.

Voor de andere emissies is het RIVM, conform de huidige Europese beleidspraktijk, ervan uitgegaan dat bij het vertalen naar de lange termijn emissiedoelstellingen alle landen binnen Europa evenredig zullen bijdragen. Aangezien het hier richtinggevende doelstellingen betreft is consultatie van de andere Europese overheden in formele zin niet aan de orde. Uiteraard is Europees beleid nodig. Het NMP4 heeft dus ook een internationale agenda. Vanuit deze agenda overlegt Nederland met andere Europese landen. De lange termijn reductiedoelstellingen in het NMP4 zijn overigens in lijn met de lange termijn doelen die indicatief in EU-MAP-6 zijn gepresenteerd.

79

Waarom wordt de doelstelling voor NOx-uitstootvermindering uit het NMP3 (ca. 80% reductie in 2010 ten opzichte van 1990) in het NMP4 uitgesteld tot 2030?

In het NMP3 werd al geconstateerd dat de realisatie van de 80% reductie van NOx in 2010 ten opzichte van 1980 problematisch is. Er wordt gesteld dat hiervoor technische doorbraken noodzakelijk zijn. Tevens kondigt het NMP3 een evaluatie van de verzuringdoelstellingen aan. Dit heeft geresulteerd in nieuwe doelstellingen voor alle stoffen onder het thema verzuring en grootschalige luchtverontreiniging voor het jaar 2010.

80 en 39

Wie is politiek verantwoordelijk voor de voortgang van de reductie van energiegerelateerde emissies?

VROM-begroting: Hoe zal het proces voor de uitvoering van de drie transities worden vormgegeven? Wat is precies de rol van de verschillende betrokken departementen? Wordt het ministerie van Economische Zaken, samen met het ministerie van Verkeer en Waterstaat, verantwoordelijk voor de transitie naar een duurzame energiehuishouding? Is de regering van plan procesdoelen voor de korte termijn vast te stellen?

In het NMP4 is een nieuwe aanpak van de energiegerelateerde emissies beschreven in het hoofdstuk dat gaat over een transitie naar een duurzame energiehuishouding (energievoorziening, energiegebruik in de mobiliteit). De transitie naar een duurzame energiehuishouding wordt breed opgevat en omvat maatschappelijke ambities op het gebied van energie gerelateerde emissies, de beschikbaarheid van energie, de voorzieningszekerheid en de toegang tot energie tegen een redelijke prijs.Ook de andere drie transities gaan uit van een brede blik.

De realisatie van de transities stelt hoge eisen aan het optreden van de overheid voor wat betreft beleidscoherentie en onderling afstemming van diverse activiteiten. Teneinde hiervoor op politiek niveau waarborgen te scheppen komt er over de transities heen een ministeriële regiegroep, met daarin de bij de transities betrokken bewindslieden. Als uitvloeisel van zijn verantwoordelijkheid voor de implementatie van het NMP4 is de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer voorzitter van deze regiegroep.

Het realiseren van een transitie is niet een zaak van één departement alleen. Transitiemanagement vergt in de eerste plaats integratie van beleidsvelden. Voor elk van de in het NMP4 geformuleerde transities wordt gedacht aan een programmatische aanpak. Voor deze programmatische aanpak wordt per transitie een bewindspersoon als eerste verant- woordelijk gesteld. Deze verantwoordelijkheid ziet op het opstarten van het programma, het organiseren van betrokkenheid van relevante partners binnen en buiten de overheid, het bewaken van beleidscoherentie en het zorgdragen voor onderlinge afstemming van diverse activiteiten, de voortgangsbewaking,de rapportage daarover en eventuele bijstelling van het programma, en dergelijke. Een uitvoeringsagenda hiertoe zal voor elk van de transities naar verwachting in het eerste kwartaal van het volgende jaar gereed zijn (zie ook vraag 55). Daarnaast zijn en blijven de verschillende betrokken ministers verantwoordelijk voor de onderwerpen uit hun portefeuille. Waar het bijvoorbeeld gaat over het formuleren van beleidsdoelstellingen en het behalen daarvan met betrekking tot de reductie van energiegerelateerde emissies betekent dit dat de eerste verantwoordelijkheid hiervoor ligt bij de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer.

Bij de nadere uitwerking van de transitie naar een duurzame energiehuishouding is ervoor gekozen het energiegebruik in de mobiliteit onderdeel te laten zijn van een aparte transitie naar een duurzame mobiliteit, wetende dat er overlap aanwezig is met de overige onderwerpen binnen de transitie naar een duurzame energiehuishouding. Op deze wijze komen de met een duurzame mobiliteit samenhangende maatschappelijke ambities beter tot hun recht.

De minister van Economische Zaken is verantwoordelijk voor het programmamanagement voor de transitie naar een duurzame energiehuishouding en de minister van Verkeer en Waterstaat heeft deze verantwoordelijkheid voor de transitie naar een duurzame mobiliteit. Bij de andere transities wordt een zelfde benadering gevolgd. De Minister van Landbouw, Natuur en Visserij wordt belast met het programma-management voor de duurzame landbouw. Over het programma-management voor het duurzaam gebruik van biodiversiteit en natuurlijke hulpbronnen vindt nog overleg plaats.

81

Er komen steeds meer producten op de markt die niet uitgezet kunnen worden, maar alleen stand-by kunnen staan. Is de regering van plan hier, in het licht van het spoor van efficiencyverbetering, evenals bij energiezuinige wasmachines, beleid op te gaan voeren?

Antwoord: In EU-verband worden de mogelijkheden verkend om beleid op dit terrein te ontwikkelen. Hieraan wordt door Nederland, vertegenwoordigd door het ministerie van Economische Zaken, actief meegewerkt.

82, 83 en84

Hoe denkt de regering Nederland als Waterstofland te positioneren? Welke beleidsinstrumenten is de regering bereid op dit punt in te zetten? Speelt WKK nog een rol bij de transitie naar een duurzame energiehuishouding?

Hoe wordt voorkomen dat bij grootschalige inzet van biomassa negatieve effecten ontstaan voor de transitie naar een duurzaam beheer van biodiversiteit en natuurlijke hulpbronnen?

In het NMP4 is een aantal denkbare beelden van de toekomstige energieinfrastructuur geschetst. Eén van deze denkbare beelden is «Nederland Waterstofland». Met deze schets wordt niet een beleidsmatige voorkeur uitgesproken.

De transitie naar een duurzame energiehuishouding kan langs drie sporen worden gerealiseerd, te weten het inzetten van hernieuwbare energiebronnen; het verlagen van het energiegebruik per activiteit en het stimuleren van geavanceerde energietechnologie Tot dit laatste spoor wordt fossiele energietechnologie gerekend die voldoet aan de lange termijn doelstelling van bijna-nul emissies van broeikasgassen en grootschalige luchtverontreiniging («schoon fossiel»). Dit spoor is van belang omdat fossiele brandstoffen nog lange tijd een rol van betekenis zullen spelen. Bij de inspanningen voor de transitie naar een duurzame energiehuishouding moeten de afzonderlijke sporen onderling in balans zijn. Voorkomen moet worden dat korte termijn overwegingen gaan domineren in één van de drie sporen. Alle opties moeten open worden gehouden.

Het toepassen van waterstof als een mogelijke energiedrager speelt bij meerdere sporen een rol. De verdere uitwerking van de transitieagenda via onderzoeks- en demonstratieprogramma’s en marktstimulering zal zichtbaar maken wat dit voor de toepassing van waterstof betekent, onder andere met betrekking tot milieuaspecten, veiligheid en voorzieningszekerheid. Daarbij zal zoveel mogelijk bij reeds lopende internationale ontwikkelingen worden aangesloten.

WKK zorgt voor een aanzienlijke CO2-reductie, nu en in de toekomst, en zal een blijvende rol in de transitie naar een duurzame energiehuishouding kunnen vervullen.

Biomassa kan een grote rol spelen in het traject naar een duurzame energiehuishouding. De aandacht voor de beschikbaarheid van biomassa en het duurzaam winnen ervan (met name bij de import van speciaal geteelde biomassa) zal worden vergroot. Hiertoe zal specifiek onderzoek worden gestart. Op grond hiervan zullen in overleg met betrokken partijen criteria worden vastgesteld voor het tegengaan van niet-duurzame neveneffecten van teelt en gebruik van biomassa. Nederland zal er zich voor inzetten deze criteria ook internationaal te verankeren onder andere in het kader van de implementatie van het Biodiversiteitsverdrag.

85

Welke ruimtebeslag is gemoeid met het realiseren van 100 tot 150 wind-parken in zee? Kan de regering aangeven hoe zij goede combinaties denkt te realiseren met andere belangrijke functies, zoals natuur, defensie en visserij?

Het RIVM en ECN hebben een studie uitgevoerd naar de technologische haalbaarheid van de richtinggevende emissiedoelstellingen. Eén van de oplossingsrichtingen is gebaseerd op grootschalige windenergie in zee. Bij grootschalige ontwikkeling van windenergie betreft het een ruimtebeslag van circa 40 bij 50 km zijnde 100 tot 150 windparken à la het project bij Egmond aan Zee, gegeven de huidige stand van de windtechnologie. De mogelijkheden en gevolgen van grootschalige windenergie zal onderwerp van onderzoek zijn, dat in samenwerking met een aantal buurlanden zal worden gestart. Hierbij zullen ook mogelijkheden van near shore windenergie in combinatie met andere functies van de Noordzee aan de orde komen. Op grond van de resultaten van dergelijk onderzoek kunnen er conclusies worden getrokken over goede combinatiemogelijkheden. Nederland zal voor een dergelijk onderzoek het initiatief nemen, zo mogelijk al tijdens de Noordzee-conferentie te Bergen in 2002. Ervaringen met het project bij Egmond aan Zee zullen van zelfsprekend bij dit initiatief worden betrokken. Een besluit over een dergelijke grootschalige aanleg van near-shore windenergie heeft nog niet plaatsgevonden

87

In de transitieagenda naar een duurzame energiehuishouding geeft de regering een groot aantal beleidsinitiatieven. Welke bijdrage verwacht zij van elk van deze initiatieven aan de richtinggevende reductiedoelen voor energiegerelateerde emissies?

De bijdrage van elk van de initiatieven van de transitieagenda aan de richtinggevende reductiedoelstellingen voor energiegerelateerde emissies is thans niet vast te stellen onder meer omdat veel vragen werkende weg zullen moeten worden beantwoord. Wel is door RIVM en ECN een studie gemaakt naar de haalbaarheid van de richtinggevende doelstellingen. Hiervoor is een zestal oplossingsrichtingen verkend door per oplossingsrichting een potentiële schatting te maken van de bijdrage aan de reductie van de CO2-emissies. (zie ookNMP4, pagina 90). Hieruit blijkt dat het realiseren van reductiedoelstellingen technologisch haalbaar is. In welke mate oplossingsrichtingen daadwerkelijk zullen gaan bijdragen is sterk afhankelijk van internationale samenwerking (bijvoorbeeld van introductie van EU-normstelling), van penetratie van technologische ontwikkelingen in de markt en van een succesvol prijsbeleid gericht op internalisatie van externe kosten.

Mede daarom is de transitieagenda er op gericht zoveel mogelijk opties open te houden en het traject langs drie sporen te laten verlopen: inzetten op hernieuwbare energie; verlagen van energiegebruik per activiteit en het ontwikkelen van geavanceerde energietechnologie.

88

De regering geeft aan dat het werken met scenario’s een belangrijk hulpmiddel is om met onzekerheden op lange termijn te kunnen omgaan en dat, door verschillende beleidsvoorstellen af te zetten tegen afwijkende scenario’s, te zien is of het beleid voldoende robuust is. In hoeverre is dit toegepast op de beleidsinitiatieven uit de transitieagenda naar een duurzame energiehuishouding? Welke scenario’s zijn hiervoor gehanteerd? Wat waren de resultaten op het gebied van de robuustheid van de beleidsinitiatieven?

ECN en RIVM zijn bij de verkenning naar de mogelijke oplossingsrichtingen uitgegaan van het zogenoemde Global Competition Scenario (GC-senario). Dit scenario wordt gekenmerkt door een hoge economische groei, een sterke elektrificatie en een optimisme over technologie. In het NMP4 is verder nadere aandacht besteed aan de onzekerheid van internationale samenwerking en specifiek naar de mate van voortgang van mondiale klimaatbeleid. Deze onzekerheid leidt er mede toe dat er in de uitvoering versterkt naar synergie tussen de aanpak van CO2-emissies en NOx-emissies zal worden gezocht.

De initiatieven van de transitieagenda zijn robuust voor de vervolgaanpak. Bij de verdere uitwerking kunnen scenario’s in het transitiebeleid opnieuw aan de orde komen om verschillende wegen te beschrijven waarlangs één of meer richtinggevende doelstellingen bereikt kunnen worden. Zo werken op dit moment de instituten aan een geactualiseerde referentieraming voor energiegerelateerde emissies tot 2010 (onderdeel van Evaluatie klimaatbeleid). Daarbij worden ookonzekerheidsanalysen uitgevoerd. Als uit scenario’s blijkt dat bepaalde instrumenten - of bepaalde systeeminnovaties - een belangrijke rol vervullen, dan kan met enige zekerheid gesteld worden dat die instrumenten en systeeminnovaties «robuust» zijn.

89

Welke financiering heeft de regering voorzien voor de beleidsinitiatieven

uit de transitieagenda naar een duurzame energiehuishouding?

Zoals in het NMP4 (pagina 105) is aangegeven volgen uit de beleidsdoelstellingen van de transitie naar een duurzame energiehuishouding een aantal maatregelen. De kosten van deze maatregelen zullen vooral door de doelgroepen moeten worden gemaakt. Om de lange termijn doelstellingen te realiseren is een investeringsvolume geraamd van f 150 tot 500 miljard ( 68-227 miljard) in de periode tot 2030.

Naast uitgaven voor het treffen van maatregelen door de doelgroepen vragen de beleidsinitiatieven een extra inzet van middelen van het rijk van naar schatting bijna f 3000 mln. ( 1360 mln.) in de periode tot 2010.

Voor de initiatieven met betrekking tot het BANS-klimaatconvenant (inclusief verkenning naar hernieuwbare bronnen), intensivering van het klimaatonderzoek, het tegengaan van onduurzame neveneffecten (inclusief waarborgen van import van duurzame biomassa), het (beperkt) opstarten van programma voor nulemissie technologie (inclusief schoon fossiel) en het vergroten van het draagvlak bij de burgers, is thans uit de extra VROM begrotingsruimte voor het NMP4 f 282 miljoen ( 128 mln.) gereserveerd tot 2010. Daarnaast zullen bestaande EZ-middelen gerelateerd aan beleid met betrekking tot duurzame energie en energiebesparing, jaarlijks ruim f 1400 mln. ( 635 mln.) door herprioritering ten nutte van de transitie naar een duurzame energiehuishouding worden ingezet. Verder worden activiteiten gericht op het bevorderen van de aanschaf van energiezuinige auto’s en het stimuleren van klimaatneutrale energiedragers met een financiële omvang van ruim f 1500 mln. ( 680 mln.) tot 2010 door fiscale maatregelen gefinancierd. Het ontwikkelen van meerjarige omvangrijke Onderzoeks, Ontwikkelings en Demonstratieprogramma’s (OO&D) met betrekking tot schoon fossiel, waterstofinfrastructuur, nulemissie technologie en restwarmte-infrastructuur vormen onderdeel van de ICES-claims van de ministeries van Economische Zaken en VROM. Het betreft in totaal een bedrag van ruim f 1200 mln. ( 545 mln.). Deze problematiek maakt onderdeel uit van de bredere afweging in het kader van de ICES-investeringsimpuls, waarover het volgende kabinet beslist. De overige vermelde initiatieven, zoals met betrekking tot klimaatneutraal energiegebruik bij Rijksdiensten, worden door herschikking binnen de bestaande begrotingen van verschillende departementen gevonden (zie ook vraag 179).

90

De regering noemt als haar verantwoordelijkheid het creëren van de condities voor de transitie, waaronder het zorgen voor voldoende «sense of urgencyx» («neuzen dezelfde kant op») bij betrokkenen om de investeringsfase in te gaan. Op welke manier is de regering voornemens deze condities te creëren? Wie ziet zij als de betrokkenen, waarvan zij de neuzen dezelfde kant uit wil laten staan?

Het kabinet ziet als betrokkenen bij de investeringsfase primair bestaande en nieuwe marktpartijen maar daarnaast ook belangenorganisaties, zoals milieubeweging en consumentenorganisaties, en de burger in het algemeen.

In de transitieagenda staan initiatieven beschreven die aan de sense of urgency («neuzen dezelfde kant op») zullen bijdragen. Op hoofdlijnen zijn deze initiatieven onder te verdelen in enerzijds initiatieven die zich op de markt richten en anderzijds initiatieven gericht op maatschappelijke betrokkenheid. Bij de marktgerichte initiatieven neemt de ontwikkeling van beleidsinstrumenten die via de markt sturen (het internaliseren van de milieukosten in de energieprijzen) in combinatie met te realiseren milieudoelstellingen een essentiële positie in. Bij de initiatieven gericht op maatschappelijke betrokkenheid is een scala van initiatieven beschreven waaronder themacampagnes en onderzoek, ontwikkeling en demonstratie.

91

Op welke niet-duurzame subsidies en andere, daarmee vergelijkbare instrumenten voor diverse sectoren, wordt gedoeld? Op welke termijn zullen deze subsidies en andere instrumenten worden afgeschaft?

Bij brief van 22 Juni 2000 is de Kamer geïnformeerd over de aanpak van de milieuschadelijke subsidies; deze aanpak betrof uitsluitend de directe door het Rijk verstrekte subsidies. In het algemeen overleg hierover van 1 februari 2001 is een onderzoek aangekondigd naar de negatieve milieueffecten van subsidies ten behoeve van de sectoren landbouw, energie, transport en toerisme; in dit onderzoek wordt een breed subsidiebegrip gehanteerd, dat wil zeggen dat het ook de indirecte subsidies voor de vier genoemde sectoren omvat inclusief de financiële gevolgen van alle mogelijke regelingen. Dit onderzoek wordt binnenkort gestart. Gezien het voornemen van het kabinet met betrekking tot het afschaffen van de niet-duurzame subsidies en andere, daarmee vergelijkbare instrumenten zal met een bredere blik naar de «schadelijkheid» hiervan worden gekeken dan uitsluitend naar de schadelijkheid voor het milieu. Het begrip niet-duurzame subsidies is echter thans nog niet scherp omlijnd (ook niet in internationaal verband). De aard en omvang ervan zijn thans evenmin bekend.

Daarom wordt tevens bezien hoe het onderzoek naar de milieuschadelijke subsidies kan worden verbreed naar de mogelijkheden van aanpak niet-duurzame subsidies en daarmee vergelijkbare instrumenten.

De resultaten van het onderzoek zijn eind 2002 te verwachten. Het onderzoek zal mogelijk leiden tot aanbevelingen om niet-duurzame effecten te verminderen. Afhankelijk van de aard van deze aanbevelingen zal het kabinet bezien op welke wijze de voornemens kunnen worden geëffectueerd om dergelijke subsidies en instrumenten af te schaffen. Pas dan kan een termijn worden bepaald. Voor zover het Europese regelingen betreft zal het kabinet dit in EU-verband bepleiten.

92

Zal de regering op korte termijn, op advies van werkgroep de Waard, een

onderzoek laten uitvoeren naar de heffing op warmtelozing?

Het advies van werkgroep Vergroening van het fiscale stelsel II (werkgroep De Waard) is thans gereed. Mede op grond hiervan en het advies van de Commissie Vogtländer dat eind 2001 wordt verwacht, worden in de volgende kabinetsperiode definitieve besluiten genomen over de verdere invoering en vormgeving van deze instrumenten (zie ook vraag 28). Daarbij zullen ontwikkelingen op Europees niveau worden betrokken. Indien wordt gekozen voor heffingen, dan is een heffing op de lozing van afvalwarmte bij grote bronnen een mogelijkheid. Op dat moment kan ook een onderzoek naar de lozing van afvalwarmte aan de orde zijn.

93

De regering geeft aan dat het voor de transitie nodig is dat zon- en windenergie als betaalbare opties in voldoende mate beschikbaar komen. Welke rol ziet de regering voor zichzelf hierin weggelegd?

Bij de transitie naar een duurzame energiehuishouding is het van belang dat (technologische) opties open worden gehouden. Ook voor hernieuwbare energie is het van belang dat deze in voldoende mate beschikbaar komt. Maatschappelijke organisaties en marktpartijen spelen hier een rol, maar ook de overheid heeft verschillende rollen te vervullen. Zij neemt daartoe verschillende initiatieven om ook de positie van hernieuwbare energie, zoals zon- en windenergie, te versterken. Hierbij moet worden gedacht aan het nemen van initiatieven die gericht zijn op de markt zoals het internaliseren van de milieukosten in de energieprijzen, het vaststellen van criteria ter voorkoming van onduurzame neveneffecten en het generiek fiscaal en financieel stimuleren van hernieuwbare energie. Ook geeft de rijksoverheid zelf het goed voorbeeld door onder andere het gebruik van aandeel elektriciteit dat is opgewekt uit hernieuwbare energie in de periode 2002 – 2004 tot 50% te laten toenemen. Hierbij heeft de Rijksgebouwendienst een stimulerende rol. Daarnaast heeft de overheid samen met maatschappelijke organisaties betrokkenheid bij het opzetten van programma’s voor onderzoek, ontwikkeling en demonstratie. Resultaten hiervan kunnen tevens worden aangewend om eventuele belemmeringen in de huidige wet- en regelgeving weg te nemen, die verdere toepassing van hernieuwbare energie in de weg staan (bijvoorbeeld het wegnemen locatieproblemen bij windenergie op land door middel van de bestuursovereenkomst Landelijke ontwikkeling windenergie).

94

Hoe, en op welke termijn, zullen naar verwachting klimaatneutrale

energiedragers voor de glastuinbouw toegepast worden?

Over de termijn en de wijze van toepassing van klimaatneutrale energiedragers (zoals watersof) in de glastuinbouw is thans geen uitsluitsel te geven. Het ontwikkelen en toepassen van deze energiedragers is een vraagstuk dat de glastuinbouw overstijgt, andere marktpartijen hebben hierin ook een belangrijke positie. Daarbij zijn ook aspecten als voorzieningszekerheid, veiligheid en milieueffecten aan de orde (zie ook vragen, 82, 83 en 84). Waar mogelijk wordt de glastuinbouw bij ontwikkelingstrajecten al betrokken.

95

Hoe ziet de regering de relatie tussen energiebesparende maatregelen in huurwoningen en de huursubsidie? Hoe ziet de regering het feit dat dergelijke investeringen in woningen worden gepleegd door eigenaren, terwijl de effecten van deze investeringen voor een deel ten goede komen aan de gebruiker? Welk effect heeft de waardestijging die voortvloeit uit dergelijke investeringen op de hoogte van huursubsidies? Welke beleidsconclusies trekt de regering hieruit?

Investeringen die door de eigenaar worden gepleegd kan de verhuurder geheel of gedeeltelijk terugverdienen in de huur. Bij nieuwe verhuringen gelden daarbij geen beperkingen, zij het dat de verhuurder er verstandig aan doet niet boven de maximale huurprijsgrens te komen. In sommige gevallen zullen extra energiebesparende voorzieningen kunnen leiden tot een hogere woningwaardering op grond van het woningwaarderings-stelsel en daarmee tot een hogere maximale huurprijsgrens. Bij voorzieningen die bij zittende bewoners worden aangebracht kunnen afspraken worden gemaakt tussen verhuurder en huurder over de extra huur die de investering met zich meebrengt. Uitgangspunt daarbij is dat het moet gaan om voorzieningen waarbij het woongerief wordt geacht te zijn gestegen (artikel 10 lid 1 onder c Huurprijzenwet woonruimte). In de praktijk leidt niet elke energiebesparende maatregel tot een geriefverbetering. Een stijging van de huur als gevolg van extra energiebesparende maatregelen zal deels ook tot een stijging van de huursubsidie leiden. In het kader van het huurbeleid vanaf 1 juli 2002 is de Tweede Kamer bij brief van 14 september 2001 (kamerstuk II, 2000/2001, 27 926, nr. 1) geïnformeerd, dat het huidige woningwaarderingsstelsel zal worden omgevormd tot een stelsel van referentiehuren. Bij de uitwerking van dit stelsel zal tevens worden onderzocht in hoeverre energiebesparende maatregelen kunnen worden betrokken bij de bepaling van de referentiehuur van de woning. De verwachting is dat het stelsel van referentiehuren met ingang van 1 juli 2005 zal gelden. Daarom is de regering, mede uit het oogpunt van de energiebesparingsbereidheid van de huurder, niet voornemens in de Huursubsidiewet uit te gaan van een huurbegrip waarin de (besparing op de) energielasten is verdisconteerd.

96

Hoe wordt de gunstige situatie voor transitie in de nieuwbouw gebruikt om deze ook daadwerkelijk tot stand te brengen, bijvoorbeeld bij VINEXlocaties?

Zoals het NMP4 ook al beschrijft, zijn de perspectieven voor transitie in de nieuwbouw relatief gunstig, omdat hier de infrastructuur voor zowel buiten als binnen het gebouw nog moeten worden aangelegd. VINEXlocaties kunnen daarom een rol spelen bij de transitie naar een duurzame energiehuishouding; nieuwe technologie kan relatief eenvoudig worden toegepast. De overheid ondersteunt dit door vanuit het Bouwbesluit eisen te stellen aan de energieprestaties van woningen (EPN), het stimuleren van gemeenten om ook te kijken naar de energieprestaties van locaties via de EnergiePrestatie op Locatie (EPL), het Besluit Aanleg Energie Infrastructuur om concurrentie bij de aanleg van duurzame energievoorziening op locaties te bevorderen (BAEI) en door fiscale stimulering.

Gemeenten en andere partijen worden in hun ambities ondersteund via het zogenaamde Koepelprogramma Klimaatbeleid Gebouwde Omgeving 2002. Op korte termijn zullen samen met marktpartijen nieuwe experimenten worden gestart om verdere toepassing van klimaatneutrale energiedragers in de bouw te stimuleren. Het draagvlak in de markt voor de toepassing van dergelijke energiedragers kan hiermee worden versterkt. Zo wordt in 2002 een onderzoeksprogramma opgezet voor de toepassing van klimaatneutrale energiedragers in de gebouwde omgeving. Vanaf 1 januari 2002 komt verdergaande (bovenop de geldende eisen van het Bouwbesluit) energiebesparing bij nieuwbouwlocaties in aanmerking voor financiële stimulering via de generieke regeling Energie-premies.

Bovendien zal binnenkort een subsidieregeling van kracht worden die gemeenten stimuleren woonwijken zonodig te (her-)ontwerpen, zodat de afwikkeling van mobiliteit (ook) uit et oogpunt van energiegebruik optimaal is.

97

Zijn er reeds initiatieven ontwikkeld om op wijkniveau de betrokkenheid van burgers te versterken Hoe en wanneer worden deze initiatieven landelijk geïmplementeerd?

Om initiatieven op wijkniveau te stimuleren, is de tenderregeling Enter (Stcrt. 2000, nr. 243) geopend, een regeling van het ministerie van Economische Zaken, waar het ministerie van VROM aan bijdraagt. In het kader van die regeling worden experimenten uitgevoerd, waarin doorgaans verschillende partijen (lokale overheid, maatschappelijke organisaties, marktpartijen) samenwerken en waarbij tenminste 100 huishoudens betrokken zijn. In het kader van de eerste tranche van de regeling zijn er inmiddels experimenten gestart; de selectie van voorstellen voor de tweede tranche vindt momenteel plaats. Doel van de experimenten is om nieuwe methoden te ontwikkelen waarmee energiebesparend gedrag van huishoudens kan worden gestimuleerd. In dit verband geldt de eis dat de experimenten moeten leiden tot 5% besparing van het directe energiegebruik en bij voorkeur ook moeten leiden tot besparing van indirecte energie (besparing van indirecte energie wordt bereikt door aankoop van producten en diensten die met gering energiebeslag zijn geproduceerd). De experimenten dienen uiterlijk 1 mei 2003 te zijn afgerond. Om te garanderen dat de resultaten van de experimenten landelijk kunnen worden ingevoerd, wordt in de regeling als eis gesteld dat tenminste één van de partijen die betrokken is bij een experiment, een marktpartij is die in staat is de methodiek in de praktijk te implementeren.

98

Op welke wijze zullen de bestaande EZ-middelen herzien worden ten

behoeve van de transitie naar een duurzame energiehuishouding?

De transitie naar een duurzame energiehuishouding schetst een lange termijn perspectief. Het huidige beleid ten aanzien van hernieuwbare energie en energiebesparing past hierin, zodat herzien van bestaande EZ-middelen op dit moment niet aan de orde is. Op de uitwerking van de transitie aanpak op basis van de uitvoeringsagenda (zie vraag 55) wordt in het Energierapport dat in voorjaar 2002 verschijnt nader ingegaan, waarbij ook aan de orde komt de in het NMP4 vermelde herprioritering van bestaande EZ-middelen.

99

Is de regering, gezien de opmerking dat «bescherming van biodiversiteit [...] in de praktische aanpak een relatief minder ver ontwikkeld beleidsonderwerp» is, van mening dat het bestaande natuurbeleid niet mede gericht is op het behoud van biodiversiteit?

Het bestaande natuurbeleid is een onderdeel van het bredere biodiversi-teitsbeleid dat zowel het behoud als het duurzaam gebruik van de biodiversiteit binnen en buiten de natuurgebieden omvat.

100

Gestreefd wordt naar het realiseren van een wereldwijde Ecologische

Hoofdstructuur? Is de regering bereid om een groter deel van de

bestaande gelden voor ontwikkelingssamenwerking voor dit doel in te

zetten?

Ja, door middel van herschikking binnen de 0,1% van het BNP voor internationaal natuur en milieubeleid onder het beleidsbudget voor ontwikkelings-samenwerking. Plannen voor het beheer van diverse ecosystemen worden o.a. ontwikkeld in het kader van diverse werkprogramma’s van het Biodiversiteitsverdrag. Internationaal is afgesproken dat alle partijen van dit verdrag nationale strategieën en actieplannen ontwikkelen. Daarnaast wordt er op wereldschaal bijvoorbeeld ook gewerkt aan een kader voor beheerssystemen voor bossen.

101

De wereldvoedselvoorziening zal bij een groeiende wereldbevolking gepaard gaan met een steeds groter ruimtebeslag. Het NMP4 stelt dat de oppervlakte landbouwgebied in de wereld niet verder uitgebreid zou mogen worden. Welke rol ziet de regering voor genetisch gemodificeerde gewassen, die kunnen leiden tot hogere opbrengsten (ook in moeilijke gebieden) en zodoende het ruimtebeslag kunnen beperken?

Er is een verduurzaming van de landbouw nodig, die in staat is de groeiende wereldbevolking voldoende, goed en veilig voedsel te verschaffen. Het huidige oppervlak landbouwgebied in de wereld zou niet verder uitgebreid mogen worden, teneinde de druk op de nog overgebleven gebieden als savannen, oerwouden, steppen en toendra’s niet verder te vergroten.

Om dit te kunnen realiseren dient internationale consensus te ontstaan over wereldwijde acties voor het verbeteren van de productiviteit in de landbouw en het voorkomen van degradatie van bodems. Een forse productiviteitsstijging van de landbouw in ontwikkelingslanden is noodzakelijk, zonder de negatieve neveneffecten die dat in het verleden met zich meebracht. De jaarlijkse productiviteitsstijging op het huidige landbouwareaal in ontwikkelingslanden die nodig is om de wereldbevolking te voeden zal dan minimaal 1,6% moeten bedragen.

Het is nog niet duidelijk welke technieken en methoden zo’n productivi-teitsstijging in de landbouw tot stand zullen brengen. Er wordt daarom niet alleen gekozen om in te zetten op of alleen hoog-technologische of alleen biologische landbouw. Het gaat vooral om een landbouw die de druk op het milieu vermindert en zo goed mogelijk aansluit bij de lokale situatie. In ieder geval dienen hoog-productieve gronden zo intensief mogelijk benut te worden teneinde voldoende ruimte te bieden aan de natuur. Daarnaast is ook overschakeling op niet-grondgebonden landbouw een middel om de druk op biodiversiteit te doen afnemen.

Zowel voor hoog-technologische als voor biologische landbouw is veel onderzoek nodig. Voorbeelden hiervan zijn onderzoek naar natuurlijke ongediertebestrijding en bestuiving, naar het optimaal gebruiken van biodiversiteit voor verhoging van de landbouwproductie, naar de mogelijkheden om ook andere functies in landbouwgebieden te combineren en naar de ontwikkeling van nieuwe gewassen, die bijvoorbeeld bestand zijn tegen zout en droogte (via veredeling en biotechnologie). Daarbij is het van belang dat deze variëteiten breed kunnen worden toegepast en aan ontwikkelingslanden beschikbaar worden gesteld.

Voor een succesvolle groene revolutie is de landbouw is het noodzakelijk om de toegang tot genetisch materiaal beter te regelen dan nu het geval is. Enerzijds moeten daarbij de kennis van de lokale bevolking, maar ook de rechten op ontwikkelde biotechnologie voldoende beschermd worden, anderzijds moeten de resultaten van biotechnologie breed toegepast kunnen worden voor de productie van voedsel en medicijnen.

102

Welke ruimte binnen de WTO heeft Nederland, om samen met gelijkgestemde landen, via keurmerken of internalisering van kosten, duurzame handel te bevorderen?

De WTO geeft ruimte voor keurmerken of internalisering van kosten. Hierbij hanteert zij het uitgangspunt dat er sprake moet zijn van non-discriminatie in de toepassing, dat er geen onnodige obstakels tot handel opgeworpen dienen te worden en dat de keurmerken of de internalisering van kosten niet meer handelsbeperkend zijn dan nodig om een legitiem doel na te streven. Wanneer aan deze voorwaarden wordt voldaan kunnen landen via keurmerken of de internalisering van kosten duurzame handel trachten te bevorderen.

103

In hoeverre speelt duurzaam beheer van biodiversiteit en natuurlijke hulpbronnen een rol bij het aankoopbeleid van de Nederlandse overheid (bijvoorbeeld via producten met het Max Havelaar keurmerk)?

Bij de opstelling van duurzaamheidscriteria voor de inkoop van producten zal het duurzaam beheer en gebruik van biodiversiteit en natuurlijke hulpbronnen gaandeweg als een overweging worden betrokken. In dit kader zal Nederland samen met het bedrijfsleven initiatieven ontplooien om een aantal productieketens als van koffie, cacao, bananen, katoen en sierplanten te verduurzamen.

Op één terrein speelt duurzaam beheer van biodiversiteit en natuurlijke hulpbronnen reeds een rol, namelijk bij het gebruik van duurzaam geproduceerd hout. Dit hout kent het FSC-keurmerk (Forest Stewardship Council).

De Nederlandse overheid wordt door het Programmabureau Duurzaam Inkopen geadviseerd bij de toepassing van duurzaamheidscriteria in het inkoopbeleid. In het kader van duurzaam bouwen adviseert de Rijksgebouwendienst (Rgd) haar klanten (departementen) bij de bouw van rijkshuisvesting duurzaam geproduceerd hout toe te passen. Ook stimuleert de Rgd het gebruik van duurzaam geproduceerd hout doordat voorschriften hierover zijn opgenomen in haar standaard besteksbepalingen.

Al sinds de introductie van dit keurmerk in 1988 kiezen verschillende overheidsorganisaties voor de inkoop van Max Havelaar koffie. Dit neemt de laatste jaren toe. Producten met Max Havelaar keurmerk zijn echter alleen gecontroleerd op sociale aspecten van duurzame ontwikkeling. Wel heeft het Max Havelaar keurmerk de ambitie dat zijn producten positief scoren op ecologische aspecten van duurzame ontwikkeling. In algemene zin kunnen hierover op dit moment echter geen verifieerbare uitspraken gedaan worden.

104

Waarom wordt de waarde van biodiversiteit geen dicriminerend criterium voor de beoordeling van nieuwe landen waarmee een brede ontwikkelingssamenwerkingsrelatie wordt aangegaan?

Het ontwikkelingssamenwerkingsbeleid is primair gericht op armoedebestrijding. Het behoud en duurzaam gebruik van biodiversiteit is een belangrijke component bij armoedebestrijding. Voor eventueel nieuwe landen waarmee een brede ontwikkelingssamenwerkingsrelatie wordt aangegaan, wordt vastgehouden aan bestaande criteria. Op verzoek van deze landen kan biodiversiteit als een onderdeel in deze samenwerkingsrelatie worden opgenomen. Daarnaast wordt in de sectoren, zoals landbouw, waterbeheer e.d, biodiversiteit geïntegreerd. Bij toekomstige aanpassingen van de milieulandenlijst voor ontwikkelingssamenwerking zal de waarde van biodiversiteit, naast andere overwegingen, een discriminerend criterium zijn.

105

Welke vorm van certificering acht de regering het meest wenselijk: de nationale vorm of de internationale vorm? Welke beleidsconclusies verbindt de regering hieraan?

Het kabinet vindt de internationale vorm het meest wenselijk. Zo lang die nog niet op het juiste niveau voorhanden is, geeft het kabinet de voorkeur aan een certificatieschema dat past binnen een internationale accreditatie-en certificatiestructuur, zoals dat van de Raad voor Accreditatie. Daarbij kan het bij producten alleen gaan om certificering op «bedrijfsniveau».

106

Welke initiatieven heeft de regering in de afgelopen jaren ontplooid om het Europees Milieubeleid daadwerkelijk te verdiepen? Tot welke resultaten heeft dit geleid? Welke allianties bestaan er op welke milieuonderdelen? Welke resultaten kunnen we hiervan verwachten?

De afgelopen jaren heeft de regering een aantal initiatieven genomen gericht op het Europese milieubeleid in brede zin. Deze initiatieven hebben enerzijds betrekking op de verankering van duurzame ontwikkeling en de integratie van milieu in het Europese beleid in al zijn facetten. Anderzijds hebben deze initiatieven betrekking op het instrumentarium voor het Europese milieubeleid.

De Nederlandse inzet ten aanzien van integratie van milieu in andere beleidsterreinen is als volgt samen te vatten:

  • • 
    Integratie met het oog op duurzame ontwikkeling,
  • • 
    verankering in de Verdragen van de E.G. en EU,
  • • 
    uitvoering door andere Raden,
  • • 
    «monitoring» door middel van doelen, tijdstabellen en indicatoren,
  • • 
    toepassing van een milieutoets op voorstellen van de Europese Commissie.

In het Verdrag van Amsterdam is artikel 6 opgenomen waarin is bepaald de milieu-eisen moeten worden geïntegreerd in de omschrijving en uitvoering van het beleid en het optreden van de Gemeenschap. De achtereenvolgende Raden hebben zich over de implementatie daarvan uitgesproken. De Europese Raad van Cardiff in juni 1998 vormde een belangrijk beginpunt; hier nodigde de Europese Raad de Transport-, Energie- en Landbouwraad uit om een eigen integratiestrategie te presenteren. Inmiddels hebben vrijwel alle vakraden het verzoek gekregen dergelijke strategieën te ontwikkelen en regelmatig te herzien. Tijdens de Top van is Göteborg is besloten om aan het zgn. «Lissabonproces» de milieudimensie toe te voegen en zo te komen tot een EU Duurzaamheid-strategie. Een van de stappen hierbij is aanvullen van de bestaande economische en sociale indicatoren met nieuwe indicatoren om zo het pakket «structurele» of «duurzaamheidsindicatoren» compleet te maken. Een andere belangrijke conclusie van Göteborg betreft de invoering van een zgn. «Duurzaamheidstoets» op alle (wetgevings-) voorstellen van de Europese Commissie.

De Nederlandse inzet is met betrekking tot het instrumentarium voor het Europese milieubeleid als volgt samen te vatten:

  • • 
    verbetering van de kwaliteit van wetgeving onder andere door de invoering van kaderwetgeving, de bovengenoemde duurzaamheids-toets en meer aandacht voor implementatie en handhaving,
  • • 
    inzet van andere dan juridische instrumenten. Zowel voor lucht als water zijn inmiddels kaderrichtlijnen tot stand gekomen. De Milieuraad heeft een aanbeveling aanvaard inzake minimum-criteria voor inspecties. Aan de Europese Raad van Laeken zal een rapport worden voorgelegd inzake de verbetering van wetgeving, de duurzaamheidstoets zal daarvan een onderdeel uitmaken. De strategische aanpak van de Nederlandse Nationale Milieubeleidsplannen heeft zijn weerslag gevonden in het 5e en 6e MilieuActieprogramma. Over het 6e Milieu-Actieprogramma heeft de Milieu-raad een Gemeenschappelijk Standpunt bereikt. Het Nederlandse streven naar een richtlijn voor een Europese energieheffing heeft, nog geen resultaat opgeleverd.

Binnen de Europese Unie, op milieuterrein of anderszins, is geen sprake van vaste allianties. Wel is sprake van een voorhoede, deze is echter niet vast van samenstelling. Noord-West-Europese landen hebben op belangrijke punten gemeenschappelijke belangen die tot samenwerking kunnen leiden. In het nastreven van beleidsdoelstellingen maakt Nederland gebruik van wisselende coalities.

Welke concrete resultaten van het voorgaande mogen worden verwacht is niet op voorhand te voorspellen. Wel zal dit bijdragen tot een integraler beleid binnen de EU.

107

Welke pilots zullen worden uitgevoerd voor het opstellen van plannen

voor het duurzaam beheren van ecosystemen?

Plannen voor het beheer van diverse ecosystemen krijgen vorm via de diverse werkprogramma’s van het Biodiversiteitsverdrag. Internationaal is afgesproken dat alle partijen van het Biodiversiteitsverdrag nationale strategieën en actie-plannen zullen ontwikkelen. Daarnaast worden er op wereldschaal ook gewerkt aan een kader voor beheerssystemen voor o.a.

bossen. De concrete invulling van acties vindt plaats in het kader van nationale bossen programma’s.

Met betrekking tot de pilots zal gezamenlijk met de verantwoordelijke beheersautoriteiten in OS-landen en maatschappelijke organisaties, bedrijven en ontwikkelingsorganisaties worden bepaald welke ecosystemen in welke gebieden hiervoor in aanmerking kunnen komen. Hierbij wordt ook gebruik gemaakt van de ecoregionale benadering. Deze benadrukt de processen en activiteiten in een brede ecologische context, die niet perse samenhangen met een politiek-administratieve context, bijvoorbeeld het Guyana-shield, het Centraal-Afrikaans bosmasseief, de Sahel, de Andes en Mekongregio.

Daarnaast zal in het nationale beleid in het kader van het op te stellen plan van aanpak agrobiodiversiteit middels pilotprojecten aandacht worden besteed aan de rol van biodiversiteit bij natuurlijke ziekte- en plaag-regulatie en aan de betekenis van bodemecosystemen.

108

Een kwart van de houten producten moet in 2005 uit duurzaam beheerde bossen komen. Op dit moment voldoet slechts 5% van het hout op de Nederlandse markt aan dit criterium. Hoe denkt de regering deze doelstelling toch te gaan realiseren?

In het NMP4 wordt op blz. 119 een aantal initiatieven genoemd op basis waarvan een markt aandeel van 25% duurzaam hout op de Nederlandse markt in 2005 wordt beoogd. In aanvulling op deze initiatieven wordt ingezet op gerichte voorlichtings- en stimuleringsactiviteiten en conven-anten. In het kader van duurzaam bouwen wordt kennis- en informatie overgedragen omtrent toepassing van duurzaam geproduceerd hout in alle sectoren van de bouw. Aan de hand van het rapport «Vergroening van het fiscale stelsel» wordt bezien of en welke mogelijkheden die vergroening biedt voor het stimuleren van hout dat afkomstig is uit gecertificeerde duurzaam beheerde bossen. Tot slot zullen de inspanningen in internationaal verband worden voortgezet om te komen tot een groter aanbod van hout dat afkomstig is uit gecertificeerde duurzaam beheerde bossen.In dit verband verwijs ik ook naar beleidsreactie van Staatssecretaris Faber en mijzelf over de evaluatie van de minimumeisen inzake houtcertificering in Nederland, die u in juli 2001 heeft ontvangen.

109

Voor de lange termijn (2030) zullen de ecologische ambities van de nota

«Natuur voor mensen, mensen voor natuur» uitgangspunt zijn, aldus

hoofdstuk7van het NMP4. Waarom zijn dan in het NMP4 minder scherpe

doelen gesteld voorNenP(met name verliesnormen in het kader van de

Nitraatrichtlijn) dan in de nota «Natuur voor mensen, mensen voor

natuur»?

Van een verschil tussen de stikstof- en fosfaatdoelen van Natuur voor Mensen, Mensen voor Natuur en die van NMP4 is geen sprake. Het NMP4 geeft aan dat de natuurkwaliteitsambities van de nota Natuur voor Mensen, Mensen voor Natuur en de bijbehorende milieukwaliteitscondities uitgangspunt zijn voor de lange termijn (2030). De milieukwaliteitscondities zijn vastgelegd in hoofdstuk 3 van het NMP4. In het NMP4 is aangegeven dat voor fosfaat een verliesnorm van 1 kg P per hectare in 2030 gewenst is. Deze verliesnorm is de voorlopige concretisering van het uitgangspunt van de nota Natuur voor Mensen, Mensen voor Natuur voor de langere termijn: een fosfaatgehalte van maximaal 0,15 mg fosfaat per liter in oppervlaktewateren. Het NMP4 geeft nog geen concrete vertaling van de gewenste concentraties van stikstof naar toekomstige stikstof verliesnormen. Dit vereist nader onderzoek.

110

Zullen de afstandseisen van het ammoniakbeleid zowel voor grote als voor kleine natuurgebieden gelden? Welke gevolgen heeft dit voor (de uitvoerbaarheid) van de Reconstructie? Welke conclusies verbindt de regering aan deze gevolgen?

Ja, de afstandeisen zullen gelden voor zowel de grote als voor de kleine natuurgebieden. Dit heeft geen gevolgen voor de reconstructie. Het zone-ringsbeleid zoals dat zal worden vastgelegd in de Wet ammoniak en veehouderij zal gelden zowel rond grote als kleine natuurgebieden, voor zover deze als kwetsbaar gebied in de zin van die wet zijn aangemerkt. Dit zoneringsbeleid heeft een preventieve werking met als doel te voorkomen dat door nieuwvestiging of uitbreiding van veehouderijen in de directe nabijheid van kwetsbare natuur deze natuur extra belast wordt dan wel dat de milieuwinst die bereikt wordt door het landelijk voorschrijven van emissiebeperkende maatregelen, wordt te niet gedaan. Naast dit preventieve beleid zal, mede in kader van de reconstructie, beleid worden gevoerd gericht op verplaatsing of beëindiging van niet grondgebonden landbouw in de zones rond natuurgebieden. Hierbij zal in de periode tot 2010 prioriteit worden gelegd bij grote natuurgebieden.

De Reconstructie kent een meervoudige doelstelling, waaronder ook verbetering van de kwaliteit van de natuur. Wanneer het preventieve zone-ringsbeleid slechts rond de grote natuurgebieden zou gelden, zou het bereiken van deze doelstellingen met betrekking tot de kleinere natuurgebieden worden bemoeilijkt. Met de zonering rond zowel de grote als de kleinere natuurgebieden worden naar oordeel van de regering optimale condities geschapen voor zowel verbetering van de natuur, als verbetering van de ruimtelijke structuur ten behoeve van de landbouw.

111

Sommige landbouwsectoren (varkens, kippen) zullen zich binnen de rode contouren ontwikkelen. Kan de regering aangeven in hoeverre dit strookt met de huidige inzichten van de regering ten aanzien van stankemissie uit stallen? Ziet zij, gegeven de beperkingen die gesteld (zullen gaan) worden, mogelijkheden om binnen de rode contouren extra stankhinder door intensieve veehouderijen toe te staan?

Binnen de rode contouren kunnen de functies wonen en werken zich ontwikkelen. Daarbij kan in een zeer beperkt aantal gevallen, onder strikte randvoorwaarden, via een goede lokatiekeuze binnen de rode contouren ook de ontwikkeling van bepaalde landbouwsectoren (varkens en kippen) plaatsvinden. Uitgangspunt hierbij is dat er geen stankhinder als gevolg van de intensieve veehouderij plaatsvindt De verwachting is dat als gevolg van technologische ontwikkeling de geuremissie uit de stal in de toekomst sterk kan worden teruggedrongen. Er is dus geen sprake van enige versoepeling van de stanknormering om de ontwikkeling van agrarische bedrijventerreinen mogelijk te maken.

112

Het opleggen van nieuwe verdergaande beperkingen kan planschade met zich meebrengen. Door wie zullen de kosten van eventuele planschade moeten wordengedragen?

Zowel in de voorgestelde Reconstructiewet concentratiegebieden als in de Wet op de ruimtelijke ordening (WRO)is een planschade artikel opgenomen (respectievelijk artikel 30 Rwc en artikel 49 WRO). De kosten voort- komend uit de vergoeding van geleden planschade met betrekking tot een door het rijk goedgekeurd reconstructieplan zullen worden gedragen door het rijk (art. 93, eerste lid, onderdeel e). De kosten voortkomend uit de geleden planschade op grond van de WRO worden gedragen door de gemeente.

113

In een aantal gebieden zal volgens het NMP4 de grondgebonden landbouw zich strikt moeten houden aan de milieunormen die nodig zijn om de natuur op die plek te beschermen. Een en ander zal in het kader van SGR2 verder worden uitgewerkt. Kan de regering, vooruitlopend hierop, alvast in algemene zin aangeven om welke gebieden dit zal gaan en hoe deze milieunormen zullen worden vastgesteld?

De regering kan nog niet concreet aangeven om welke gebieden het gaat en hoe de milieunormen worden vastgesteld.

  • 1. 
    In het SGR-2 zullen de grote natuurgebieden worden vastgelegd. In de Nota Natuur voor Mensen Mensen voor Natuur (NvMMvN) wordt uitgegaan van 1000 ha in laag Nederland en 2000 ha in hoog Nederland. In NvMMvN worden 27 natuurdoelen onderscheiden voor de EHS. De landelijke natuurdoelenkaart wordt verankerd in het SGR-2. Als basis voor de vast te stellen milieucondities per natuurdoeltype zal het binnenkort te verschijnen herziene handboek natuurdoeltypen worden gebruikt. In de zones rondom de grote natuurgebieden gelden verdergaande beperkingen dan elders in de balansgebieden. Het beleid is erop gericht de ammoniakbelasting, de fosfaatbelasting en verdrogingsproblematiek terug te dringen.

114

Is de regering voornemens om een beleid te voeren dat gericht is op het bevorderen van biologische landbouw in gebieden waar de milieunormen voor natuurwaarden dit vragen? Zo ja, welke instrumenten zouden hiervoor naar haar mening ingezet kunnen worden?

Het kabinet kiest voor een vraaggestuurde ontwikkeling van de biologische landbouw. Ondernemers moeten zelf de keuze maken waar en welke producten ze biologisch produceren. Dit sluit niet uit dat in gebieden waarin een gebiedsspecifieke milieukwaliteit wordt nagestreefd de beslissing van een ondernemer te gaan omschakelen kan worden versneld door het gebiedsspecifieke instrumentarium.

Biologische landbouw en experimenten met duurzame technologische ontwikkeling (DTO) zullen extra aandacht krijgen. Het leveren van groene diensten en het gebruik van natuurlijke processen in de bedrijfsvoering zullen in dit verband een belangrijke grondslag voor financiering zijn.

115

Het RIVM adviseert het beleid aan te vullen met een opkoop- en verplaatsingsregeling voor landbouwbedrijven in en rond natuurgebieden, zodat de milieucondities verbeteren, daar waar dit het meest noodzakelijk is. Is de regering hiertoe bereid?

In kleine en grote natuurgebieden en zones rond die gebieden zal verplaatsing en beëindiging van niet-grondgebonden landbouw worden gestimuleerd. Prioriteit wordt gegeven aan de grote natuurgebieden. Met de inzet van de Regeling beëindiging veehouderijtakken (RBV) wordt momenteel – in het kader van het mestbeleid – de bedrijfsbeëindiging gefaciliteerd. Ook zal, conform het advies van de commissie Koopmans, de melkveehouderij in die situaties waar dit nodig en kansrijk is, rond kwetsbare natuurgebieden versneld worden geëxtensiveerd. Binnen de reconstructieplannen bestaat de mogelijkheid om de uitplaatsing van bedrijven te stimuleren. In het NMP4 is aangegeven dat verplaatsingen van bedrijven uit zones rond natuurgebieden een belangrijk instrument is naast het herstel van watersystemen gericht op het voorkomen van verdroging. Het NMP4 geeft aan dat hier tot 2010 4 tot 4.5 miljard gulden voor nodig is, wat voor een belangrijk deel bestaat uit ICES-claims voor reconstructie, ammoniak en herstel watersystemen. Voor de realisatie van het beleid is financiering essentieel. Deze ICES claim maakt onderdeel uit van bredere afweging waarover het volgend kabinet besluit.

118 en 119

Hoe denkt de regering over de suggestie van het Centrum voor Landbouw

en Milieu om tot ammoniakreductie te komen door de koeien eiwitarm

voedsel te voeren?

Welke verschillen ziet de regering tussen de onderzoeksgegevens ten

aanzien van ammoniakemissie uit veehouderijen, die de basis zijn

geweest voor de beleidslijn dat melkvee zoveel mogelijk gehuisvest

dienen te worden in (emissiearme) stallen en dat weidegang beperkt moet

worden, en onderzoek van onder andere CLM, waaruit blijkt dat de

ammoniakemissie in geval van beweiding lager is?

De regering onderkent dat voermaatregelen van invloed zijn op de ammoniakemissie. Zoals in de toelichting van het ontwerp-besluit ammoniakemissie huisvesting veehouderij(«Amvb huisvesting») is aangegeven, kleven er nog belangrijke uitvoeringsproblemen aan het opnemen van voermaatregelen in regelgeving. Om die reden zijn deze thans niet opgenomen in het ontwerpbesluit. Daarnaast is het aannemelijk dat voer-maatregelen al door veel melkveehouders toegepast zullen worden onder invloed van het mest- en mineralenbeleid.

De regering zal op deze kwestie ingaan in haar antwoord op de vragen die door de Kamer zijn gesteld over het voorstel voor de Wet ammoniak en veehouderij (Kamerstukken II 27 836, nr. 4).

120

Verlaging van de fosfaatverliesnorm wordt haalbaar geacht indien bedrijven veel meer mest afzetten. Aan welke vormen van afzet wordt gedacht? Op welke wijze denkt de regering dit te stimuleren?

De verantwoordelijkheid voor een verantwoorde afzet van mest ligt bij het landbouwbedrijfsleven, de regering heeft in deze geen stimulerende rol. Hierbij hebben zij de volgende mogelijkheden:

  • • 
    Verdere optimalisatie van de distributie van mest over Nederlandse landbouwgronden;
  • • 
    Vervanging van kunstmest door (bewerkte) dierlijke mest;
  • • 
    Afzet buiten Nederland.

121, 122 en 130

Hoe verhoudt de doelstelling, dat in de directe omgeving van de EHS zo’n 200 000à300 000 ha landbouwgrond zal moeten vernatten, zich tot de algemene doelstelling voor verdrogingsbestrijding, vastgelegd in de motie-Lansink/Van Rijn-Vellekoop?

Welke instrumenten zal de regering inzetten om een vernatting van een zone om verdrogingsgevoelige natuurgebieden te realiseren? Welke middelen zal zij hiervoor inzetten en wat is de beoogde dekking ervan? Geconstateerd wordt dat, gezien de doelstelling voor de verdrogings-bestrijding (40% reductie in 2010), een forse extra inspanning nodig is. Welke instrumenten en middelen zullen hiervoor ingezet worden? Kan de regering aangeven welke dekking van de middelen beoogd worden?

De huidige doelstellingen voor verdroging blijven onverkort gehandhaafd.

Juist vanuit de optiek om verdroging te bestrijden is in NMP4 gekozen voor herstel van watersystemen met als gevolg vernatting van landbouwgronden in de omgeving de EHS. Daarmee krijgt de inspanning om de algemene doelstelling voor verdroginsbestrijding te realiseren dus een krachtige impuls in combinatie met een zo groot mogelijke verbetering van natuurwaarden.

In de Bestuursovereenkomst gebiedsgerichte inrichting landelijk gebied zullen de overheden waarborgen creëren voor de realisatie van de verdrogingsdoelstellingen voor 2010.

Om verdroging tegen te gaan en om de zones rondom natuurgebieden te vernatten zal het lokale watersysteem aangepast moeten worden en beter ingericht moeten worden om water vast te houden. Dit past ook in de trits vasthouden-bergen-afvoeren van het nieuwe waterbeleid, zoals vastgelegd in «Anders omgaan met Water, Waterbeleid in de 21ste eeuw». In het kader van het in 2002 op te stellen Nationaal Bestuursakkoord Water is de provincies en de waterschappen gevraagd om deelstroomgebieds-visies op te stellen. Deze deelstroomgebiedsvisies zullen inzicht verschaffen in welke maatregelen en welke middelen nodig zullen zijn om de waterhuishouding op orde te brengen en te houden. Dit inzicht zal basis zijn voor het Bestuursakkoord en zal ruimtelijk worden vertaald in deel 3 van SGR2. In het Nationaal Bestuursakkoord Water zullen taakstellende afspraken gemaakt worden over doelen en maatregelenpakketten, die nodig zijn om de waterhuishouding op orde te brengen, inclusief de financiële dekking. Het bestuursaccoord water zal geïntegreerd worden in de Bestuursovereenkomst gebiedsgerichte inrichting landelijk gebied. Daarbij worden onder meer afspraken gemaakt over de inzet van de Subsidie regeling Gebiedsgericht Beleid voor het realiseren van de verdrogingsdoelstellingen.

Voor het rijksaandeel in de kosten kunnen ICES claims (ammoniak, reconstructie, herstel watersystemen) worden benut. Deze ICES claim maakt onderdeel uit van bredere afweging waarover het volgend kabinet besluit.

123, 124 en 125

Hoe zal de toepassing van de watersysteembenadering doorwerken in de realisatie van de EHS?

Is de regering van mening dat het nog te begrenzen deel van de EHS geheel, of meer dan nu het geval is, is te begrenzen via de watersysteembenadering? Is de regering voornemens hierover werkafspraken te maken met de provincies?

Kan de regering aangeven welk deel van het uiteindelijk te realiseren aantal hectares van de EHS op dit moment nog niet concreet begrensd is?

Van het areaal van 260 000 te realiseren hectares EHS, dus exclusief de tot de EHS behorendende bestaande bosen natuurgebieden, is 14% nog niet concreet begrensd. Van de taakstelling voor reservaatsgebieden (100 000 ha) is 93 040 ha begrensd, van de natuurontwikkelingsgebieden (taakstelling 50 000 ha) is 36 700 ha begrensd, en van beheersgebieden (110 000, inclusief extra hectaren voor weidevogels) is 93 970 ha begrensd. Deze cijfers zijn van 31 december 2000.

In sommige situaties kan de begrenzing van de EHS beter worden afgestemd op watersysteemgrenzen. De provincies is gevraagd, om bij de resterende begrenzing van de EHS rekening te houden met het watersysteem. In verband hiermee is afgesproken dat het functioneren van grote eenheden van de EHS nader zal worden onderzocht. Dit kan leiden tot herbegrenzing. De resultaten zullen zo mogelijk in deel 3 van dit SGR worden meegenomen. In het kader van de Bestuursovereenkomst gebiedsgerichte inrichting landelijk gebied zullen afspraken worden gemaakt over de wijze waarop de overheden gezamenlijk zullen streven naar een vergroting van de kwaliteit van het landelijk gebied. Daarin worden de afspraken in het kader van het Nationaal Bestuursakkoord Water geïntegreerd. De onder regie van de provincies op te stellen deel-stroomgebiedsvisies en gewenste grond- en oppervlaktewaterregimes (GGOR) zullen de doorwerking laten zien van de tussen rijk en provincies afgesproken natuurdoelen.

126

Welke rol ziet de regering voor de consument en voor de markt van landbouwproducten voor het in gang zetten en het bereiken van de transitie? Tot welke beleidsconclusies leidt dat?

De consumentenvraag naar duurzaam geproduceerde landbouwproducten is uiteindelijk bepalend voor het aanbod van deze producten. Om invloed op de transitie duurzame landbouw te kunnen uitoefenen is het van belang dat de consument zich beseft welke milieulast een bepaald landbouwproduct met zich meebrengt en dit besef ook in daden omzet-.Gelet op dit gegeven staat voorop het internaliseren van de milieukosten. Hiervoor is het ook noodzakelijk dat de kwaliteit van de producten door de consumenten te onderkennen is.Transparantie van het productiesysteem is daarvoor een vereiste, ook in Europees verband. De consument heeft recht op informatie, heeft keuzevrijheid en draagt door keuze die hij maakt ook medeverantwoordelijkheid voor de productiewijze van de producten. De transparantie laat nog te wensen over. De bijdrage die de overheid kan leveren, ligt in het bevorderen van die transparantie. Labelling met keurmerken kan een belangrijke prikkel voor producenten, detailhandel en consumenten zijn om meer duurzame producten te produceren en of af te nemen. Het kabinet ondersteunt in dit verband initiatieven van producenten, verwerkende industrie en of detailhandel om te komen tot de vorming van integrale ketenkwaliteitsystemen, gericht op het borgen en garanderen van kwaliteit van de producten en de productiewijzen van begin tot eindproduct via bijvoorbeeld certificering.

127, 128 en 129

In hoeverre is de Subsidieregeling Gebiedsgericht Beleid een instrument dat de regering zal inzetten voor de realisatie van de «gebiedsgerichte aanpak»?

Op welke manier zullen de middelen voor het inrichten van ecologische verbindingszones (A2-EHS) en voor gebiedsgerichte verdrogings-bestrijding (GeBeVe) terugkomenbinnen de SGB-regeling? Kan de regering aangeven hoe de Subsidieregeling Gebiedsgericht beleid zich verhoudt tot de regelingen als A2-EHS en GeBeVe?

De Subsidieregeling Gebiedsgericht Beleid (SGB) is door LNV, VROM en V&W juist ontwikkeld met het oog op het faciliteren van de gebiedsgerichte aanpak. De SGB, gepubliceerd in de Staatscourant van 25 september jl., wordt beschouwd als een groeimodel, waaraan in de loop der tijd andere beleidsvelden kunnen worden toegevoegd.

In het kader van «ontstapelen en ontschotten» is in de Subsidieregeling Gebiedsgericht beleid een aantal regelingen en instrumenten gebundeld, waaronder Gebeve en de middelen voor A2. De Gebeve-regeling is met ingang van 2001 beëindigd. Voor de A2 middelen kan dit jaar nog gebruikt worden van de oude regeling. Met ingang van volgend jaar maken ze integraal onderdeel uit van de SGB. Belangrijk is, dat in de Bestuursovereenkomst voor de gebiedsgerichte inrichting van het landelijk gebied de te bereiken doelen op het gebied van waterbeheersing en verdrogings-bestrijding worden geformuleerd.

De beschikbare middelen voor A2 en voor gebiedsgerichte verdrogings-bestrijding (Gebeve) zullen via de SGB regeling kunnen worden benut.

Daartoe zijn in deze regeling de benodigde subsidiecategorieën opgenomen.

131

Gesteld wordt dat de kosten voor de landbouw 17 tot 20 miljard gulden bedragen. Hoe denkt de regering dit bedrag vanuit de landbouw te genereren, gezien het feit dat de opbrengsten nu al in vele sectoren van de landbouw marginaal zijn?

De landbouw moet op eigen kracht de milieu-investeringen opbrengen, die voortvloeien uit het generieke beleid.Een beperkt gedeelte (10–20%) betreft vervangingsinvesteringen. De kosten zullen binnen 10 jaar verwerkt worden in de prijzen van landbouwproducten (internalisering van milieukosten). Hierbij zal een marktgerichte strategie gevolgd moeten worden zodat er voldoende afzetmogelijkheden ontstaan voor meer duurzaam geproduceerde goederen. Consumenten moeten erop kunnen vertrouwen dat hun voedsel gezond en veilig is en milieu- en diervriendelijk geproduceerd wordt en zij zullen hiervoor een hogere prijs moeten betalen.

132

Welke invloed heeft de (huidige en toekomstige) hervorming van het Europese landbouwbeleid op de mogelijkheden om een bedrag van 17 tot 20 miljard gulden vanuit de landbouwsectoren te genereren? Tot welke beleidsconclusies leidt dat?

Een belangrijk deel van de Nederlandse land- en tuinbouw wordt niet of nauwelijks beïnvloed door hervormingen in het Europees landbouwbeleid, aangezien ze niet onder een (zware) marktordening vanuit het EU landbouwbeleid opereert. Dit geldt met name het overgrote deel van de niet-grondgebonden landbouw. Een eventuele afbouw van de prijssteun en inkomenstoeslagen zal aanzienlijke effecten hebben in de grondgebonden landbouw. Deze sectoren kunnen wel profiteren van bestaande EU kaders voor cross-compliance en modulatie (het verbinden van een deel van de inkomenssteun aan voorwaarden met betrekking tot milieu, natuur, landschap en dierenwelzijn) en ondersteuning van groene diensten (tweede pijler EU beleid; plattelandsbeleid). De invloed van de hervorming van het Europese landbouwbeleid op de door de landbouwsector te dragen kosten is niet exact aan te geven. De inzet is gericht op maximale benutting van bestaande EU-kaders.

133

Wat is de verhouding tussen het aangescherpte veiligheidsbeleid en het convenant met de bedrijven in het Westerscheldegebied, waarbij het externe veiligheidsbeleid een belangrijke rol vervulde?

In het kader van de zogenaamde ROM-projecten zijn voor de kanaalzone in Zeeuws Vlaanderen onder andere afspraken gemaakt over de in die regio aanwezige externe veiligheidsproblematiek. Deze afspraken, die dateren van april 1993 en die een periode beslaan van 10 jaar, betreffen inrichtinggebonden activiteiten met gevaarlijke stoffen in relatie tot de in de omgeving van die activiteiten aanwezige bebouwing. De gemaakte afspraken voldoen niet voor alle betrokken inrichtingen aan veiligheidsnormen (met name het plaatsgebonden risico) van het externe veiligheidsbeleid zoals vermeld in het NMP4.

134

Hoe gaat de regering om met de spanning tussen enerzijds de kortstondige opslag van gevaarlijke stoffen in transportmiddelen, bijvoorbeeld op parkeerplaatsen als gevolg van rusttijden of rijverboden, en het risico-

beleid anderzijds? Bestaat enig inzicht in de gevolgen voor de efficiënte inzet van transportmiddelen en hoe gaat de regering daarmee om?

Ter voorbereiding van de amvb externe veiligheid transport zal aandacht worden besteed aan het aspect van het over staan en de kortstondige opslag van gevaarlijke stoffen in transportmiddelen. Op welke wijze dit zal gebeuren dient nog te worden vastgesteld.

136

Bij het externe veiligheidsbeleid voor transport van gevaarlijke stoffen wordt er uitgegaan van de huidige berekening. In het spooratlas is aangegeven dat er een nieuwe verbeterde versie zal verschijnen van de risico-berekeningsmethodiek. Kan deze nieuwe berekeningsmethode gevolgen hebben voor de doelstellingen in het NMP4, en waarom voldoet de huidige berekeningsmethodiek niet meer?

Berekeningmethoden worden regelmatig aangepast aan de stand der techniek. Bij gelijkblijvende doelstellingen kan dit gevolgen hebben voor de consequenties in de uitvoering van het beleid.

In algemene zin kan het verbeteren van berekeningsmethoden ten goede komen aan de doelstellingen van het NMP4, n.l. het waarborgen van een zo goed mogelijk beschermingsniveau t.a.v. externe risico’s voor burgers. Dit heeft dan ook geen gevolgen voor de doelstellingen.

138 en 155

De huidige veiligheidsnormen zijn nog geen wettelijk verplichte toetsingsgrond bij besluiten op grond van de Wet Ruimtelijke Ordening. Gaat dit nog wel geregeld worden?

Kan de regering aangeven hoe langs transportroutes gevaarlijke stoffen-zones worden ingesteld die verplicht doorwerken in ruimtelijke ordeningsplannen? Hoe ziet de regering in dit kader de relatie met het instrument vrijwaringzones uit NVVP en de Vijfde nota Ruimtelijke Ordening?

De doorwerking in de ruimtelijke ordening gaat geregeld worden met de in het NMP4 genoemde amvb’s betreffende inrichtingen en transport.

Bij de beantwoording van de vragen 139 (en anderen) is al ingegaan op de Regulering voor het Vervoer van Gevaarlijke Stoffen (RVGS-spoor). Ook voor de andere transportmodaliteiten wordt een dergelijke regulering overwogen. Regulering ten aanzien van het transport leidt in een aantal gevallen (waarbij het transport van brandbare vloeistoffen een hoofdrol speelt) tot een rechtstreekse zonering die in ruimtelijke plannen verplicht doorwerkt. In andere gevallen, waarbij transport van brandbare gassen zoals LPG het belangrijkst is, is er via een verplichte toetsing aan het plaatsgebonden risico en het groepsrisico op basis van de amvb transport sprake van verplichte doorwerking naar ruimtelijke plannen.

De vrijwaringszones langs hoofdinfrastructuur uit het NVVP en de Vijfde Nota Ruimtelijke Ordening sluiten goed aan op dit beleid. Vrijwaringszones zijn onder andere bedoeld ter vermindering en/of voorkoming van conflicterende functies vanuit milieu optiek, en om bij te dragen aan de veiligheid. Het rijk zal het vrijwaringsbeleid verder uitwerken en daarbij ook de beleidsdoelstellingen ten aanzien van milieu en veiligheid in acht nemen.

139, 145, 153, 154, 156, en 158

Het beleid voor vervoer van gevaarlijke stoffen via spoor wordt gestoeld op het inrichten van ruimtelijke zones rond tracés. In hoeverre worden hierdoor volgens de regering de mogelijkheden tot compact bouwen en inbreiden beperkt?

Hoe gaat de regering om met de afweging tussen transportroutes en verdichting, bijvoorbeeld in het geval van LPG-transport? Kan de regering de meest actuele stand van zaken geven met betrekking tot haar voornemen het transport van gevaarlijke stoffen tot het strikt noodzakelijke te beperken? Is de regering van mening dat het wél noodzakelijke transport langs relatief minder dichtbevolkte gebieden moet worden geleid? Hoe wordt hieraan vorm en inhoud gegeven? Aangezien het vervoer van gevaarlijke stoffen (groeps)risico’s met zich meebrengt, zouden transportroutes zoveel mogelijk ver weg van de bebouwde kom moeten worden geleid. Is dit een beleidsconclusie die de regering voornemens is te trekken?

Leidt bundeling van wegen en spoorwegen tot een verhoging van het (groeps)risico ter plaatse? Zo ja, welke beleidsmatige conclusies trekt de regering daaruit?

Hoe lang gaat het onderzoek duren naar de noodzaak van transport van gevaarlijke stoffen?

Het ministerie van Verkeer en Waterstaat bereidt in overleg met VROM en BZK een nota aan de Tweede Kamer voor ten behoeve van de regulering van het vervoer van gevaarlijke stoffen per spoor. (Nota RVGS-spoor). Er zullen spoorroutes worden aangewezen waar vervoer van gevaarlijke stoffen niet toegestaan is, routes waarbij dat vervoer gebonden zal worden aan grenzen in verband met veiligheid en routes waar het vervoer van gevaarlijke stoffen toegestaan wordt. Uitwerking van het nieuwe beleid kan in bepaalde gevallen leiden tot planologische belemmeringen en in andere gevallen tot meer planologische ruimte. Overigens is uitgangspunt van het externe veiligheidsbeleid dat risico’s zoveel mogelijk door bronmaatregelen worden beperkt. Maar omdat dit niet altijd in voldoende mate mogelijk is, zal ook afstand houden tot de bron een wezenlijk onderdeel van het beleid blijven. De nota RVGS-spoor gaat op korte termijn naar de Tweede Kamer. Daarna zal in 2002 de systematiek concreet uitgewerkt worden.

Op basis van deze systematiek volgt in een tweede fase van de Regulering Vervoer Gevaarlijke Stoffen-spoor een voorstel tot indeling van de verschillende baanvakken in de diverse categorieën. Over deze indeling zal met betrokken instanties worden overlegd. De bevolkingsdichtheid van bepaalde gebieden is daarbij een belangrijk element, maar er zijn meer factoren, o.a. van logistieke aard.

Het voornemen is een soortgelijke benadering te volgen voor wegen en waterwegen. Daartoe wordt nog dit jaar onderzoek gestart naar welke transportroutes niet noodzakelijk zijn voor het transport van gevaarlijke stoffen. Dit onderzoek wordt naar verwachting eind 2002 afgerond. Voorts zal in de in antwoord op vraag 141 genoemde ketenstudies voor chloor, ammoniak en LPG aandacht worden besteed aan de gevraagde afweging.

Bundeling van infrastructuur kan op bepaalde plaatsen leiden tot verhoging van het groepsrisico, maar kan de druk op andere plaatsen verlich-ten.Dit wordt meegenomen in het onderzoek naar het niet noodzakelijk zijn van bepaalde transportroutes.

Alleen vanuit de veiligheid geredeneerd is het nodige te zeggen voor het zoveel mogelijk ver weg leggen van transportroutes. Echter het zoveel mogelijk ver weg leiden van de bebouwde kom van transportroutes zou strijdigheid geven met het ruimtelijke beleid bijvoorbeeld ten aanzien van het openhouden van het landelijke gebied. Ook moet rekening worden gehouden met het kunnen leveren aan bedrijven in de bebouwde kom, al dan niet op industrieterreinen. Het antwoord is dus neen.

141

Kan de regering inzicht geven in de kosten en baten van de verschillende mogelijke beleidsregels voor het vervoer van gevaarlijke stoffen, waarbij in ieder geval het beperken van het transport en het door de regering voorgestelde beleid worden belicht?

Zoals in het NMP4 en de septemberbrief is aangegeven zal, in aanvulling op het algemene externe veiligheidsbeleid, voor een aantal ketens van gevaarlijke stoffen een integraal veiligheidsbeleid worden geformuleerd. Genoemd zijn chloor, LPG en ammoniak. Bij het ontwikkelen van dit beleid per stof zal de mogelijkheid van het beperken van transport zeker worden betrokken, evenals de kosten en baten van een dergelijke beperking. De benodigde studies worden nog dit najaar gestart. In 2003 zal aan de Kamer worden gerapporteerd.

146

Tot welke beleidsconclusies leidt de passage over de mainportfunctie van Nederland in Noordwest Europa in relatie tot het externe veiligheidsbeleid? Hoe denkt de regering het externe veiligheidsbeleid af te stemmen op specifieke lokale en regionale situaties, teneinde maatwerk te leveren?

In het NMP4 is aangegeven wanneer een activiteit uit oogpunt van risico’s voor de omgeving acceptabel is. Voor het plaatsgebonden risico zal een wettelijke grenswaarde worden vastgesteld, die niet mag worden overschreden, behoudens in zeer incidentele gevallen (zie antwoord op vraag 142). Voor groepsrisico’s is gekozen voor een systematiek waarbij steeds een afweging moet worden gemaakt van de risico’s van de activiteit enerzijds en de maatschappelijke baten en andere kosten van die risicovolle activiteit anderzijds. Deze aanpak kent een decentrale verantwoordingsplicht, opdat maatwerk kan worden geleverd. Wel is voor het groepsrisico een oriëntatiewaarde opgenomen, die richtinggevend is. Bezien wordt nog hoe het omgaan met groepsrisico in wetgeving dient te worden opgenomen. Hierover zal uiterlijk in 2003 een besluit worden genomen. In de in het NMP4 genoemde amvb’s zal dit verder worden uitgewerkt en vastgelegd.

148

Gesproken wordt over de internalisering van de kosten van het veiligheidsbeleid. Kan de regering een schatting van deze kosten geven en aangeven door wie ze zullen moeten worden gedragen?

Het bedrag dat gemoeid is met het internaliseren van de maatschappelijke kosten van activiteiten met gevaarlijke stoffen (bijvoorbeeld die van indirect ruimtebeslag) is op dit moment niet bekend en zal in het in het NMP4 aangekondigde onderzoek betreffende dit onderwerp aan de orde komen. Van belang is daarbij te onderkennen dat specifieke situaties bepalend zullen zijn voor deze kosten. Om die reden is het vaststellen van een uniforme waarderingsmethodiek essentieel.

Bij het operationaliseren van de internalisering zullen deze kosten moeten worden gelegd bij degene die de risicosituatie veroorzaakt.

149 en 150

Hoe denkt de regering over het extra aantal autokilometers die ontstaan als automobilisten uitsluitend langs snelwegen nog LPG kunnen tanken? Wordt het gebruik van milieuvriendelijker LPG hiermee niet ontmoedigd? Hoe verhoudt zich het stimulerend beleid dat de rijksoverheid voert voor het rijden op LPG tot de voorstellen in het NMP4 over het risicobeleid? Welk deel van de inrichtingen zal op termijn wel aan de eisen kunnen voldoen? Tot hoeveel sluitingen van LPG-stations zal deze beleidswijziging leiden? Hoeveel woningen zullen moeten worden afgebroken?

Het NMP4 bevat niet het beleidsvoornemen om op dit moment uitsluitend LPG verkoop langs rijkswegen toe te staan. Dit is wel een optie die aan de orde komt in de aangekondigde ketenstudie voor LPG op basis waarvan een integraal veiligheidsbeleid voor die stof wordt geformuleerd. Ook de gestelde vraag zal dan worden beantwoord.

Van de in totaal 2200 LPG tankstations voldoen circa 500 à 600 niet aan de in het NMP4 voorgestelde normstelling. Indien aanvullende veiligheidsmaatregelen geen oplossing bieden zullen stations gesloten moeten worden. Dit betreft met name stations die gelegen zijn in de bebouwde kom en niet de stations langs rijkswegen waar de verkoop voornamelijk plaatsvindt. Het is niet te verwachten dat een sanering als hier bedoeld de voorziening van LPG als motorbrandstof aantast en de sanering is dus niet strijdig met het thans gevoerde stimuleringsbeleid. Onderzocht zal worden of het, gelet op een brede maatschappelijke kosten/batenanalyse en het huidige LPG-stimuleringsbeleid, maatschappelijk verdedigbaar is het gebruik van LPG als brandstof voor (personen) auto’s uit te faseren over een langere periode, bijvoorbeeld 10 tot 15 jaar. Het is niet te verwachten dat bij de thans voorgestane sanering van LPG-tankstations veel woningen zullen worden afgebroken.

151

Het overheidsbeleid is sterk gericht (geweest) op het terugdringen van CFK’s en HCFK’s als koelmiddel. Koeling met behulp van ammoniak is een alternatief voor CFK- en HCFK-koeling en vele inrichtingen zijn dan ook overgegaan op ammoniakkoeling. Hoe beoordeelt de regering deze omschakeling in het licht van de thans aangekondigde maatregelen in het kader van het risicobeleid?

Ammoniak is een alternatief koelmiddel voor CFK’s en HCFK’s. Echter de toepassing van dit alternatief moet wel plaatsvinden binnen eisen gesteld vanuit de veiligheid. Op een totaal van 350 ammoniakkoelinstallaties wordt bij circa 40 installaties niet aan deze veiligheidseisen voldaan. Het feit dat een aantal installaties niet aan de eisen voldoet vormt geen reden om nu anders aan te kijken tegen het gebruik van ammoniak als alternatief koelmiddel. Bovendien zijn er technische mogelijkheden om het gebruik van ammoniak te beperken, waardoor de risico’s kleiner zijn dan bij de tot nu toe gebruikelijke installaties. Ook voor ammoniak wordt een integraal veiligheidsbeleid ontwikkeld op basis van een ketenstudie (zie ook vraag 141).

152

Wat wordt bedoeld met de zin «Om Nederland als schakel in vervoer ook in de toekomst te laten functioneren, zal aansluiting bij de internationale regelgeving een voorwaarde blijven»?

Veel van de veiligheidseisen die door de vervoerder in acht moeten worden genomen bij het vervoer van gevaarlijke stoffen zijn vast gelegd in internationale regelgeving. Het gaat dan bijvoorbeeld om eisen aan gebruikte voertuigen en deskundigheidseisen aan betrokken personeel. Voor vervoer van gevaarlijke stoffen met een grensoverschrijdend karakter is een Nederlandse «alleingang» met betrekking tot deze bij het vervoer in acht te nemen eisen geen oplossing. Nederland zal zich inzetten om deze eisen in EU- en internationaal verband aan te scherpen. Dit laat onverlet dat nationaal een externe veiligheidsbeleid wordt gevoerd op basis van de andere in het NMP4 genoemde uitgangspunten.

157

Kan een toelichting worden gegeven op de relatie tussen het mogelijk creëren van nieuwe transportwegen voor gevaarlijke stoffen en de toekomstige investeringen in het kader van het ICES-traject?

In het kader van de ICES-investeringsimpuls, waarover het volgende kabinet beslist, is een ICES-claim ingediend met betrekking tot het verplaatsen van bepaalde spoorwegemplacementen. Bij deze emplacementen speelt een bredere problematiek dan de externe veiligheid (geluidhinder, kwaliteit stedelijk gebied).Andere ICES- claims in verband met nieuwe transportwegen voor gevaarlijke stoffen zijn niet aan de orde.

159

Hoe kijkt de regering aan tegen het actief verstrekken van informatie over de risicokaart aan burgers in het licht van de recente aanslagen in New York? Wat vindt de regering van het idee om deze informatie beschikbaar te stellen bij bijvoorbeeld gemeenten, na identificatie van de verzoeker?

Uitgangspunt van regeringsbeleid en regelgeving is een zo groot mogelijke openbaarheid van informatie over risico’s in de leefomgeving van burgers. Vooralsnog geven de gebeurtenissen in de Verenigde Staten op 11 september geen aanleiding om dit uitgangspunt te verlaten. Wel wordt momenteel nagegaan of voor bepaalde extreem gevoelige informatie speciale maatregelen moeten worden getroffen.

De informatie over risico’s van inrichtingen is openbare informatie die deel uitmaakt van het openbare traject van de vergunningverlening aan bedrijven. Ook in het kader van bestemmingsplan procedures is openbaarheid van informatie over de risico’s een belangrijk element om tot een goede ruimtelijke ordening te komen. De zogenaamde risicokaart wordt door gemeenten en provincies met steun van het ministerie van BZK ontwikkeld. Op grond van het Besluit informatie over rampen en zware ongevallen ligt er een voorlichtende taak van het lokale bestuur naar de burger inzake veiligheidsrisico’s.Tenslotte geldt voor de grootste inrichtingen waar gevaarlijke stoffen aanwezig zijn, de zogenaamde Seveso bedrijven, uit hoofde van Europese verplichtingen openbaarheid van het veiligheidsrapport van het bedrijf. Het rapport is door een ieder opvraagbaar. In deze lijn ligt het opwerpen van belemmeringen om de informatie te kunnen inzien niet voor de hand. Overigens kunnen specifieke gegevens om redenen van beveiliging krachtens vigerende wettelijke bepalingen vertrouwelijk worden gehouden. Wel moet het bedrijf richting overheid expliciet aangeven welke gegevens vertrouwelijk zijn. Deze gegevens zijn dan niet opvraagbaar op grond van de Wet Openbaarheid van bestuur.

160

Is de regering bereid om een (nadere) studie te laten verrichten naar de wijze waarop moet worden omgegaan met het verstrekken van evenwichtige en volledige informatie aan de burger? Is zij voornemens de medeoverheden nadrukkelijk te betrekken bij zowel de studie, als bij de informatievoorziening?

In het kader van de uitvoering van het Kabinetspunt Vuurwerkramp is door het ministerie van BZK een onderzoek voorzien waarin de wijze van informatievoorziening naar de burgers over veiligheidsrisico’s centraal staat. Dit actiepunt zal in nauwe samenwerking met het VNG worden uitgevoerd, gezien de voorlichtende taak van het lokale bestuur naar de burger inzake veiligheidsrisico’s.

161

Op welke termijn zijn de aanvullende wettelijke voorzieningen voor afdoende veiligheidsmanagement en risico-aansprakelijkheid in de sector vanMKB-bedrijven afgerond?

Het BRZO zal worden geëvalueerd. Deze evaluatie zal leiden tot aanpassingen die in 2002 zullen worden doorgevoerd. Daarnaast wordt, op basis van beoordeling van de veiligheidsrapporten die op basis van dit Besluit worden verlangd en in reactie op de vuurwerkramp in Enschede, bezien hoe het veiligheidsmanagement en de risico-aansprakelijkheid bij MKB-bedrijven kunnen worden verbeterd. Nog nagegaan wordt of dit via het BRZO dan wel anders, bijvoorbeeld via de arbo-regelgeving geregeld moet worden. Uiterlijk in 2003 dient gewijzigde regelgeving in werking te treden.

164

Komt in de notitie over gezondheid en milieu een fundamentele, integrale

aanpak voor de problemen op dit beleidsterrein?

De notitie gezondheid en milieu beschrijft de inzet van de ministeries van VWS en VROM op dit beleidsterrein. De notitie, die eind oktober aan de Tweede Kamer zal zijn gezonden, is gericht op het tot stand brengen van een integrale aanpak voor de problemen op dit terrein door de inzet van programma’s die het landelijke en lokale beleid zullen versterken. In vervolg op de notitie zal voorjaar 2002 een beleidsprogramma worden opgesteld waarin de integrale aanpak wordt uitgewerkt.

165

Zal de Gezondheidseffectscreening Stad&Milieu ook toegepast worden

op infrastructurele projecten?

Met de handreiking lokale gezondheidseffectscreening ten behoeve van ruimtelijke ordening en milieu (GES) is een instrument ontwikkeld waarmee niet alleen Stad en Milieu-experimenten projecten vooraf maar ook andere stedelijke en infrastructurele projecten vooraf kwantitatief getoetst kunnen worden op gezondheidseffecten.

166

Waarom wordt de doelstelling voor het verbruik van leidingwater

vanaf 2005 versoepeld?

De maximale besparingsdoelstelling zal in 2005 worden bereikt. Vanaf 2005 neemt het verbruik van leidingwater per persoon niet toe, maar de toename van de bevolkingsgroei brengt een toename van het verbruik van leidingwater met zich mee. De doelstelling wordt vanaf 2005 dus niet versoepeld, maar vastgehouden.

167

Zijn de provincies en gemeenten voldoende toegerust (bijvoorbeeld wat

menskracht betreft) om de bestuursafspraken goed uit te voeren?

In het bestuursakkoord zelf zal aandacht aan de toerusting van de overheidsorganisaties voor de uitvoering van de afspraken worden besteed, ook al omdat de inhoud van de afspraken invloed heeft op de voor de uitvoering benodigde toerusting. De verdere professionalisering van overheidsorganisaties, die hiervan een belangrijk onderdeel is, is in het NMP4 (blz. 192) daarom al als onderwerp voor het bestuursakkoord genoemd.

168

Hoe denkt de regering enige daadwerkelijke lokale en regionale beleidsvrijheid in het milieubeleid te bereiken? Wat betekent dit voor het generieke beleid? Hoe wordt voorkomen dat het generieke beleid zo scherp is dat de lokale en regionale beleidsvrijheid in de praktijk nihil is?

Het bestuursakkoord leefomgevingskwaliteit, dat in het NMP4 wordt aangekondigd, is erop gericht door de daarin te regelen rolverdeling inhoud en duidelijkheid te geven aan de beleidsvrijheid voor de gemeenten en provincies met betrekking tot het gebiedsgerichte milieubeleid. Daarbij blijft het rijk verantwoordelijk voor het stellen van minimumwaarden voor veiligheid, gezondheid en natuur. De andere overheden krijgen in de door hen vast te stellen gebiedsvisies de beleidsvrijheid bij het bepalen van de voor de betreffende gebieden na te streven milieukwaliteit. Daarbij zullen de voor de gebiedstypen gezamenlijk door de deelnemers aan het akkoord te formuleren ambities met betrekking tot de milieukwaliteiten als handreiking gelden.

Dit betekent overigens niet dat er geen generiek milieubeleid meer nodig is. Bij de invulling van het op te stellen bestuursakkoord zal expliciet aandacht worden besteed aan de ruimte die het generieke beleid zal moeten bieden voor de gebiedsgerichte invulling.

169

Is het waar dat de regering voornemens is om gemeenten zelf te laten bepalen of deze een milieuzone in de stad willen invoeren? Is de regering voornemens dit binnen een landelijk kader te plaatsen, of wordt gedacht aan een algehele beleidsvrijheid voor gemeenten?

Het is inderdaad de bedoeling dat de gemeenten over de instelling van milieuzones in binnensteden gaan beslissen. Het kabinet zal onderzoek laten uitvoeren om het aanwijzen van dergelijke zones verder in te vullen en voor de toepassing gereed te maken. De toepassing wordt gekoppeld aan het bestuursakkoord voor de leefomgevingskwaliteit. Binnen een aantal nog in het bestuursakkoord neer te leggen (spel)regels zullen de gemeenten en de provincies een ruimere vrijheid krijgen bij het invullen van de na te streven milieukwaliteiten voor gebieden. De rolverdeling daarbij is dat het rijk verantwoordelijk blijft voor het vaststellen van minimumwaarden. De gemeenten (en provincies en waterschappen die ook deelnemer aan het bestuursakkoord leefomgevingskwaliteit zijn) krijgen de verplichting gebiedsvisies vast te stellen waarin het beleid met betrekking tot de na te streven milieukwaliteiten in de leefomgeving worden neergelegd. Het bestuursakkoord fungeert in dat opzicht als een landelijk kader waarin de algemene afspraken zijn neergelegd.

171

Kan de regering zo concreet mogelijk de ruimtelijke consequenties van de nieuwe luchtkwaliteitsnormen in vooral (grote) steden beschrijven? Hoe reëel acht de regering de kans dat de EU-richtlijn vervroegd geëvalueerd en daadwerkelijk aangepast zal worden? Hoe gaat de regering de ruimtelijke consequenties, die in 2010 (volgens de EU-richtlijn) gerealiseerd moeten zijn, realiseren? Kan een globale financiële inschatting worden gemaakt?

De ruimtelijke consequenties van de nieuwe luchtkwaliteitsnormen zijn afhankelijk van de gekozen aanpak.

In de periode tot 2010 zullen in elk geval de ergste reeds bestaande knelpunten met betrekking tot NO2 moeten worden aangepakt Hierbij valt te denken aan overkluizing, snelheidsvermindering en het op sommige locaties weren van (vracht)verkeer. In specifiek stedelijke situaties kunnen ook vervoermanagement, het bevorderen van schonere stedelijke distributievoertuigen, de aanpak van korte ritten, autoluw maken, schonere bussen, taxi’s en parkeerbeleid bijdragen aan vermindering van de luchtverontreiniging. In nieuwe situaties kan daarnaast gedacht worden aan het aanhouden van voldoende afstand tussen bron (infrastructuur) en gevoelige bestemming, zoals woonbebouwing (vrijwaringszones). De aanpak van de knelpunten zal, mede uit een oogpunt van kosteneffectiviteit, zoveel mogelijk aansluiten bij activiteiten gericht op stedelijke vernieuwing die volgen uit de nota Wonen en de Vijfde Nota Ruimtelijke Ordening.

In het NMP4 is een investeringsclaim opgenomen van f 5,2 mld. ( 2,360 mln.) voor de aanpak van de knelpunten.

De ruimtelijke gevolgen kunnen, afhankelijk van de aanpak, beperkt blijven. Inzet is om het ruimtelijk verdichtingsbeleid te doen slagen. Bronmaatregelen hebben daarom de voorkeur. Indien gekozen wordt voor het op grote schaal te gaan werken met vrijwaringszones zullen de ruimtelijke gevolgen mogelijk substantieel zijn. Bij het ontwikkelen van vrijwaringszones zullen de ruimtelijke gevolgen in beeld worden gebracht. Dit speelt in de periode vanaf 2003.

Het kabinet heeft de Europese Commissie expliciet gevraagd om de reeds gesignaleerde knelpunten bij de evaluatie van de richtlijn te betrekken, omdat de financiële gevolgen veel grote zijn dan destijds werd verwacht. De Europese Commissie heeft inmiddels aangegeven dat deze problematiek aan de orde zal komen bij de evaluatie. Het ziet er niet naar uit dat een vervroegde evaluatie zal plaatsvinden en het is ook niet mogelijk nu al met enige zekerheid iets te zeggen over de uitkomst van de evaluatie.

174

Op welke afspraak wordt gedoeld met de passage «waar ten gevolge van de verkeersgroei de geluidsbelasting hoger is of dreigt te worden dan eerder is afgesproken»?

Het betreft afspraken op basis van de Wet geluidhinder of de Tracéwet. In deze afspraken is de hoogst toelaatbare geluidbelasting voor geluid gevoelige bestemmingen ten gevolge van infrastructuur tussen de betrokken overheden vastgelegd.

175

Is de regering voornemens aan te sluiten bij Europese initiatieven, bijvoorbeeld binnen de UIC, als het gaat om de reductie van spoorweglawaai, of is de regering van plan om een eigenstandig nationaal beleid te voeren, met nationale regelgeving?

Het spreekt vanzelf dat Nederlands beleid aansluit bij Europese regelgeving. Tegelijkertijd zal nationaal beleid en nationale regelgeving zoveel mogelijk moeten passen op de feitelijke Nederlandse situatie. Het kabinet neemt daarbij zelf het initiatief om actief in te zetten op bronbeleid; dat wil zeggen dat zowel stillere infrastructuur als stiller materieel zoveel mogelijk gestimuleerd wordt.

176

Is de regering van plan om de wet geluidhinder zodanig aan te passen dat er geen nieuwe knelpunten ontstaan wanneer de verkeersgroei veel hoger is dan voorzien?

De ervaring in de afgelopen jaren met de verkeersontwikkeling heeft er toe geleid dat in het wetsvoorstel Modernisering Instrumentarium Geluid-beleid, dat ter vervanging van de Wet geluidhinder dient, onder andere een systematiek is opgenomen met geluidproduktieplafonds voor rijkswegen en spoorwegen. Deze plafonds beogen onder meer een einde te maken aan de sluipende groei van de geluidsbelasting zoals deze mogelijk is binnen het kader van de Wet geluidhinder. Dit wetsvoorstel ligt momenteel voor advies bij de Raad van State en zal daarna zo spoedig mogelijk aan de Kamer worden gezonden.

177

Hoe is de regering tot een verdeling van de emissiedoelstelling naar taakstellingen per doelgroep gekomen? Is dit op basis van studies naar kosteneffectiviteit gebeurd?

De keuze die in het NMP4 is bepaald, is mede op kosteneffectiviteit gebeurd. Ook andere elementen spelen een rol. Genoemd kunnen worden:

  • • 
    prestaties uit het verleden van doelgroepen c.q. het reductiepotentiëel bij achterblijvende sectoren
  • • 
    technische mogelijkheden en instrumenteerbaarheid
  • • 
    synergie tussen maatregelen op het terrein van NOx en CO2
  • • 
    overige effecten van verzurende stoffen zoals vermesting en gezondheidsschade
  • • 
    effect op de Nederlandse natuur en gezondheid
  • • 
    afspraken in het kader van het UN-ECE Gothenburg protocol en de EU NEC-richtlijn

178

Heeft de regering een volwaardig, alternatief plan beschikbaar (bijvoorbeeld via internalisering van de milieukosten), wanneer de ICES-claims niet volledig worden gehonoreerd, en in hoeverre zullen de ambities van het NMP4 naar beneden moeten worden bijgesteld, wanneer dit het geval is?

Financiering van het NMP4 zal, wanneer de ICES-claims niet volledig worden gehonoreerd, door internaliseren van milieukosten plaatsvinden of vanuit het reguliere begrotingsproces waar financieringsmogelijkheden kunnen bestaan binnen de kaders die het volgende kabinet hierover zal afspreken (zoals herschikken van bestaande middelen, benutten onderuitputting).

Met het oog op de besluitvorming door het volgende kabinet over de bovenstaande wijzen van financiering zullen tijdig mogelijke alternatieven worden geïnventariseerd en vervolgens worden uitgewerkt. Wanneer de mogelijkheden tot financiering op bovenstaande wijze beperkt zijn, zal de fasering van de voorgestelde instrumenten van het NMP4 worden aangepast.

179

Kan de regering per transitie precies aangeven welke beleidsdoelen

gedekt zijn, en voor welke doelen een ICES-claim is gelegd?

De beleidsdoelen voor de transitie naar een duurzame energiehuishouding worden op de volgende wijze gedekt (Hoofdstuk 5, blz. 105). Voor de initiatieven met betrekking tot het BANS-klimaatconvenant (inclusief verkenning naar hernieuwbare bronnen), intensivering van het klimaatonderzoek, het tegengaan van onduurzame neveneffecten (inclusief waarborgen van import van duurzame biomassa), het (beperkt) opstarten van programma voor nul-emissie technologie (inclusief schoon fossiel) en het vergroten van het draagvlak bij de burgers, is thans uit de extra VROM begrotingsruimte voor het NMP4 282 miljoen gulden ( EURO128 mln.) gereserveerd tot 2010. Daarnaast zullen bestaande EZ-middelen gerelateerd aan beleid met betrekking tot duurzame energie en energiebesparing, jaarlijks ruim 1400 mln. gulden (EURO 635 mln.), door herprioritering ten nutte van de transitie naar een duurzame energiehuishouding worden ingezet. Verder worden activiteiten gericht op het bevorderen van de aanschaf van energiezuinige auto’s en het stimuleren van klimaatneutrale energiedragers met een financiële omvang van ruim 1 500 mln. gulden (EURO 680 mln.) tot 2010 door fiscale maatregelen gefinancierd. Het ontwikkelen van meerjarige omvangrijke OO&D-

programma’s met betrekking tot schoon fossiel, waterstofinfrastructuur, nul-emissie technologie en restwarmte-infrastructuur vormen onderdeel van de ICES-claims van de ministeries van Economische Zaken en van VROM. Het betreft in totaal een bedrag van ruim 1200 mln. gulden (EURO 545 mln.).

De beleidsdoelen voor de transitie naar een duurzaam gebruik worden op de volgende wijze gedekt (Hoofdstuk 6, blz. 128). De financiële inzet voor het ondersteunen van ontwikkelingslanden en het stimuleren van internationale samenwerking om biodiversiteit en natuurlijke hulpbronnen duurzaam te beheren zal gedekt worden vanuit de 0,1% van het BNP voor internationaal natuur- en milieubeleid onder het budget voor ontwikkelingssamenwerking. Uit deze middelen worden acties gefinancierd zoals het realiseren van een Mondiale Ecologische Hoofdstructuur, een mondiale duurzame landbouw en de versterking van internationale organisaties. Naar schatting gaat het om circa 2500 mln. gulden (EURO 1 134) in de periode tot 2010. Het gaat daarbij om uitvoering van de transitie binnen het bestaande OS-beleid. Voorts zullen de acties van de overheid die te maken hebben met het beïnvloeden van de Nederlandse productie en consumptie bekostigd worden uit de begrotingen van betrokken departementen.

De beleidsdoelen voor de transitie naar een duurzame landbouw worden op de volgende wijze gedekt (hoofdstuk 7, blz. 150). Voor het realiseren van een zone rondom de natuurgebieden worden de komende 10 jaar bovenop de generieke doelstellingen, gebiedsgerichte maatregelen voorzien om de benodigde milieubescherming te bieden. Deze extra maatregelen kunnen niet volledig door de bedrijven in deze zone worden gedragen, omdat hier sprake is van specifieke eisen die het bedrijfsleven ter plekke in een sterk nadelige positie brengt en vanwege het belang van het behoud van de grondgebonden landbouw in deze gebieden. De overheid wil daarbij ondersteuning bieden. Naar schatting is voor dit beleid in het totaal 4000 – 4500 mln. gulden (EURO 1815 – 2040 mln.) nodig in de periode tot 2010. Hiervoor zal 450 mln. gulden (EURO 204 mln.) aan bestaande gebiedsgerichte middelen worden aangewend. Voor de komende 10 jaar is derhalve een bedrag van 3500 – 4000 mln. gulden (EURO 1590 -1815 mln.) extra nodig, zijnde het Rijksaandeel in de kosten (ammoniak, fosfaat, reconstructie, herstel watersystemen). Hiervoor kunnen ICES-claims (ammoniak, reconstructie, herstel watersystemen) voor een totaal bedrag van 2000 mln. gulden (EURO 910 mln.)- 2500 mln. gulden (EURO 1130 mln.) worden benut. Daarboven is voor de komende 10 jaar een bedrag van 1500 mln. gulden (EURO 680 mln.) extra nodig. In de hierboven genoemde aanvullende bedragen is nog niet voorzien. Deze problematiek maakt onderdeel uit van de bredere afweging in het kader van de ICES-investeringsimpuls, waarover het volgende kabinet beslist. De ontbrekende 1500 mln. gulden (EURO 680 mln.) worden ingebracht in de begrotingsvoorbereiding 2003 en maken mede onderdeel uit van de besluitvorming over het nieuwe regeerakkoord. Tevens wordt ingezet op maximale medefinanciering van dit bedrag uit Europese middelen. Ook wordt bezien in hoeverre financiering van deze middelen kan plaatsvinden via het internaliseren van de milieukosten bij alle sectoren die aanleiding geven tot milieudruk op de natuur. Tenslotte is een extra inzet nodig van 50 mln. gulden (EURO 23 mln.) in de periode tot 2010 voor onderzoek en experimenten met het oog op de noodzakelijke ontwikkeling van kennis en technologie. Het kabinet zal hiermee rekening houden bij de priori-tering van kennisthema’s en speerpunten in 2002 ten behoeve van een nieuwe investeringsimpuls in het onderdeel Kennisinfrastructuur van de ICES. In aanvulling hierop wordt ingezet op herschikking van begrotings-gelden binnen de betrokken departementen.

 
 
 

3.

More information

 

4.

EU Monitor

The EU Monitor enables its users to keep track of the European process of lawmaking, focusing on the relevant dossiers. It automatically signals developments in your chosen topics of interest. Apologies to unregistered users, we can no longer add new users.This service will discontinue in the near future.