Instrumenten regering

Source: Parlement.com.

De Nederlandse regering i beschikt over een breed scala aan instrumenten waarmee getracht wordt invulling te geven aan haar verantwoordelijkheden i. Zo beschikt de regering over wet- en regelgevende bevoegdheden, kan het financiële middelen zoals subsidies en belastingen inzetten en kan het afspraken met andere organisaties of binnenlandse overheden maken.

De regering kan proberen invloed uit te oefenen door het benutten van publiciteit, en beschikt verder over een omvangrijk uitvoerend en handhavend apparaat. Ten slotte bestaan er allerlei instrumenten met een internationaal karakter, zoals Nederlandse vertegenwoordigingen in het buitenland of bij internationale organisaties, deelname aan internationale besluitvorming, ontwikkelingssamenwerking en het budget daarvoor, bilaterale bezoeken en de krijgsmacht.

1.

Wet- en regelgeving

Door het vaststellen van wetten en regels i kan de overheid bepaalde gedragingen verbieden of juist verplicht stellen. Ook begrotingen en belastingregels en -tarieven worden in wetten vastgelegd.

Wet- en regelgeving biedt de mogelijkheid om bepaalde zaken tot in detail te reguleren. Wetgeving kan dus een krachtig instrument voor de regering zijn. Daar staat tegenover dat te uitgebreide en/of gedetailleerde wetgeving de maatschappelijke ontwikkeling soms onbedoeld kan verlammen. In dat geval is deregulering nodig.

Ook is het van belang dat wetgeving uitvoerbaar en handhaafbaar is (en ook gehandhaafd wordt). Als dat niet het geval is ondermijnt dat de geloofwaardigheid van zowel de wetten als de overheid.

2.

Financiële middelen

De rijksoverheid kan door het heffen van belastingen, dankzij de aardgasbaten en dankzij enkele kleinere inkomstenbronnen (boetes, veilingen van licenties, enz.) beschikken over een omvangrijk budget. Omdat de overheid bekend staat als een betrouwbare debiteur, bestaat daarnaast de mogelijkheid geld te lenen tegen een relatief lage rente.

De overheid kan subsidies gebruiken om wenselijke gedragingen (bijvoorbeeld het verrichten van technologisch onderzoek door bedrijven) te bevorderen, om de instandhouding van zaken of organisaties (zoals scholen) te bekostigen of om de inkomenspositie van mensen te verbeteren. Een subsidie van de rijksoverheid moet gebaseerd zijn op een wettelijke grondslag. Naast financiële ondersteuning met subsidies behoort ook het verstrekken van garanties en borgstellingen of leningen (soms renteloos of tegen een lage rente) tot de mogelijkheden.

Het recht om belasting te heffen zorgt voor het grootste deel van de inkomsten van de overheid. Belastingheffing wordt ook gebruikt om bepaalde gedragingen te ontmoedigen (bijvoorbeeld via de alcoholaccijnzen) of juist te bevorderen. Dit laatste kan gebeuren door het vaststellen van lagere tarieven of door bepaalde zaken of gedragingen vrij te stellen van belastingheffing. De zo ontstane kortingen op de te betalen belasting kunnen als een soort subsidie beschouwd worden, vandaar dat vaak wordt gesproken over belastinguitgaven.

De sociale-zekerheidsvoorzieningen en de zorgsector worden voor het grootste deel gefinancierd uit premieheffing. Formeel zijn dit geen belastingen, maar in veel opzichten zijn het de facto wel een soort belastingen, zeker voor zover het om verplichte premiebetalingen gaat. Het bestaan van werkloosheidsuitkeringen zorgt ervoor dat de vraag van consumenten tijdens een recessie niet al te dramatisch instort door het wegvallen van inkomsten, en werkt dus als automatische stabilisator van de economie.

Met financiële middelen kan de overheid aandelen kopen van bedrijven met een bepaald strategisch of maatschappelijk belang, of in het kader van het industriebeleid.

Het gebruik van financiële instrumenten zal uiteindelijk wel mogelijk gemaakt moeten zijn in begrotings- en/of belastingwetten.

3.

Afspraken

Nederland staat van oudsher bekend om de overlegcultuur. In overleg tussen regering en belangrijke maatschappelijke organisaties wordt gestreefd naar consensus en het maken van afspraken. De overleggen leiden er niet alleen toe dat er draagvlak wordt gecreëerd en afspraken worden gemaakt, maar ook dat er informatie wordt uitgewisseld en dat de netwerken tussen organisaties en personen worden versterkt.

Een exponent van de overlegcultuur is de Sociaal-Economische Raad i (de SER), een adviesorgaan op sociaaleconomisch gebied waarin onder andere de belangrijkste vakbonden en werkgeversorganisaties vertegenwoordigd zijn. Vroeger werden afspraken tussen werkgevers en werknemers in de SER vaak overgenomen door de regering, maar tegenwoordig is dat minder vanzelfsprekend. De verplichte advisering door de SER op sociaaleconomisch terrein is afgeschaft.

De regering overlegt ieder voor- en najaar met de werkgevers- en werknemersorganisaties in het Voorjaars- respectievelijk het Najaarsoverleg. De overlegeconomie, tegenwoordig ook wel 'poldermodel' genoemd, krijgt de laatste tijd nogal wat kritiek.

De regering kan verder contracten met andere organisaties sluiten waarin bepaalde afspraken en wederzijdse verplichtingen worden vastgelegd. Te denken valt aan het prestatiecontract met de Nederlandse Spoorwegen.

Ook worden vaak zogenaamde convenanten of meerjarenafspraken met groepen van organisaties of bedrijven gesloten. De betrokken organisaties beloven dan dat ze een bepaald maatschappelijk probleem helpen oplossen (bijvoorbeeld door energie te besparen, of door meer mensen met een migratieachtergrond in dienst te nemen). In ruil daarvoor kan de overheid ondersteuning aanbieden of afzien van direct ingrijpen.

Verder maakt de regering dikwijls afspraken met de gemeenten (verenigd in de Vereniging van Nederlandse Gemeenten, de VNG) en de provincies (die samenwerken in het Interprovinciaal Overleg, IPO). Zo worden met gemeenten afspraken gemaakt over zaken als onderwijs en grotestedenbeleid, en met de provincies over natuur.

4.

Publiciteit

De regering probeert soms via voorlichting en publiciteit, bijvoorbeeld over voedsel, gezondheid of gedrag in het verkeer, het gedrag van mensen te beïnvloeden. Radio- en televisiespotjes van rijksoverheid.nl zijn hiervan een voorbeeld.

Ministers i en staatssecretarissen i kunnen ook andere manieren gebruiken om het gedrag van mensen en bedrijven te beïnvloeden. Ze kunnen dat bijvoorbeeld doen in toespraken, in nota's en brieven aan het parlement, in debatten in de Tweede i of Eerste Kamer i, in interviews, persberichten en via internet. De wekelijkse persconferentie van de minister-president i, en het wekelijkse gesprek met de minister-president dat op vrijdagavond op de televisie wordt uitgezonden, zijn hiervoor ook methodes.

Daarnaast kan de overheid in sommige gevallen de prestaties van bepaalde organisaties met elkaar vergelijken en publiceren, zodat consumenten (of bijvoorbeeld ouders, leerlingen en studenten) beter in staat zijn keuzes te maken en de betrokken organisaties worden geprikkeld om beter te presteren.

5.

Organisatie van de uitvoering

De overheid beschikt over een omvangrijk ambtelijk apparaat van ministeries en andere overheidsorganisaties. Een deel van dat apparaat (inspectiediensten, politie, toezichthouders zoals de Nederlandse Mededingings Autoriteit) is belast met het handhaven van wetgeving. Een belangrijk middel om de verantwoordelijkheden van de overheid beter waar te maken, is door het beter organiseren hiervan. Dit kan soms ook betekenen dat wordt besloten dat de overheid een bepaalde taak beter door anderen kan laten uitvoeren.

De laatste jaren probeert de overheid in toenemende mate resultaatgericht te werken. In de begroting i wordt aangegeven welke doelstelling bereikt moet worden, wat daarvoor gedaan moet worden en welke uitgaven daarvoor nodig zijn. In de financiële verantwoording, dat wil zeggen het jaarverslag dat na afloop van het betreffende begrotingsjaar verschijnt (op de derde woensdag in mei) wordt vervolgens verantwoording afgelegd over de behaalde resultaten. Deze benadering staat bekend als VBTB, wat staat voor 'Van Beleidsbegroting Tot Beleidsverantwoording'.

Er bestaan meer manieren om de uitvoering te verbeteren, zoals evaluaties (subsidies moeten bijvoorbeeld periodiek geëvalueerd worden), het benoemen van (capabele) personen (bijvoorbeeld om in een organisatie-onderdeel orde op zaken te stellen) en het met elkaar vergelijken van de prestaties van verschillende organisaties of landen, met de bedoeling om daar lering uit te trekken.

6.

Internationale middelen

Postennetwerk

Nederland laat zich in het buitenland vertegenwoordigen door een 'postennetwerk' dat wordt gecoördineerd door het ministerie van Buitenlandse Zaken. Zo zijn er meer dan 100 Nederlandse ambassades, diverse consulaten, en 16 permanente vertegenwoordigingen bij internationale organisaties (bijvoorbeeld bij de Europese Unie).

De ambassades en consulaten behartigen de Nederlandse belangen in het buitenland en verzorgen de dienstverlening aan Nederlanders in het buitenland. Nederlandse belangenbehartiging door de ambassades vindt vooral plaats op het gebied van politiek, economie (handelsbevordering), en pers- en culturele zaken (bijvoorbeeld 'Holland Promotion'). Daarnaast worden er in sommige landen taken verricht in het kader van ontwikkelingssamenwerking.

Consulaten zijn ondergeschikt aan ambassades en richten zich op meer specifieke werkzaamheden. Consulaire werkzaamheden worden zowel door ambassades als door consulaten uitgeoefend. De Nederlandse posten spelen verder een rol bij de behandeling van visumaanvragen en bij het onderzoek voor de behandeling van asielverzoeken.

Beïnvloeding van internationale besluitvorming

Door middel van diplomatie, deelname aan internationale conferenties en door de Nederlandse inbreng in internationale organisaties waar Nederland lid van is (zoals de Verenigde Naties, de NAVO en de Europese Unie) kan Nederland de internationale besluitvorming tot op zekere hoogte beïnvloeden.

Zo nemen de Nederlandse ministers deel aan de diverse raden van EU-ministers; in deze raden (die overigens vooraf worden gegaan door overleggen tussen ambtenaren uit de diverse lidstaten) heeft Nederland ook een gewogen stemrecht. De EU-raden zijn van Nederland van belang omdat een groot deel van de Nederlandse wetgeving hieruit voortvloeit.

Ontwikkelingssamenwerking

Een belangrijk financieel instrument van het Nederlandse buitenlandse beleid betreft het budget voor ontwikkelingssamenwerking. Jaarlijks wordt hieraan 0,8% van het bruto nationaal product (bnp) besteed, waardoor het budget meegroeit met de Nederlandse economie.

Wederzijdse bezoeken

Een veel gebruikt instrument in het buitenlandse beleid is het brengen van bezoeken aan het buitenland door Nederlandse bewindslieden (vooral door de minister van Buitenlandse Zaken i en de minister voor Ontwikkelingssamenwerking). Ook de leden van het koninklijk huis brengen geregeld staatsbezoeken aan het buitenland. Onder leiding van de minister voor Buitenlandse Handel, reizen veel Nederlandse handelsdelegaties naar het buitenland.

Andersom worden ook in Nederland allerlei buitenlandse regeringsvertegenwoordigers ontvangen.

Krijgsmacht

Nederland heeft de beschikking over een krijgsmacht die niet alleen dient ter verdediging van het Nederlandse grondgebied, maar die ook samenwerkt met andere landen in de NAVO. Daarnaast kan Nederland deelnemen aan internationale vredesmachten en internationale humanitaire interventies.

 

Meer over