Policy on the euro - EU monitor

EU monitor
Friday, December 6, 2019
calendar

Policy on the euro

Source: Europa Nu.
muntgeld

Het eurobeleid heeft als doel om economische integratie in de Europese Unie†i te bevorderen. De euro is een wettig betaalmiddel in 19 EU-lidstaten†i, oftewel de eurozone†i. De andere lidstaten zijn verplicht om de euro op termijn in te voeren als zij voldoen aan bepaalde voorwaarden. Voor Denemarken en het Verenigd Koninkrijk geldt een uitzonderingsclausule en zij hebben die verplichting niet.

De landen die de euro hebben ingevoerd, de eurolanden†i, hebben het beleid met betrekking tot hun munt, zoals de wisselkoers, overgedragen aan ťťn Europese financiŽle instelling: de Europese Centrale Bank†i (ECB).

De euro is in 2002 ingevoerd als betaalmiddel in de eurozone. De landen die de euro het meest recent hebben ingevoerd, zijn de Baltische staten (Estland, Letland en Litouwen).

1.

Staand beleid

Budget

Sinds 2012 is het Europees stabiliteitsmechanisme (ESM) in het leven geroepen. Deze permanente financiŽle noodregeling is er om de financiŽle stabiliteit in de eurozone te bewaren. Het ESM heeft momenteel een capaciteit van 500 miljard euro voor voorwaardelijke financiŽle hulp aan eurolanden die deze begrotingsovereenkomst hebben ondertekend. Eventuele financiŽle hulp van het ESM aan eurolanden betekent daarmee ook dat die landen onder scherper toezicht komen te staan.

Doelstellingen

De doelstellingen van het Eurobeleid zijn het bevorderen van de economische integratie in de EU en het waarborgen van financiŽle stabiliteit. Op een aantal uitzonderingen na zijn alle huidige en toekomstige EU-landen verplicht om de euro als betaalmiddel te hebben. Het beleid met betrekking tot de munt is in handen van de ECB. De ECB heeft als taak het gezamenlijke monetaire beleid van de eurozone te bepalen. De stabiliteit van prijzen speelt hierin een belangrijke rol.

Europese Centrale Bank en eurobeleid

De ECB vormt samen met de nationale centrale banken van alle lidstaten, het Europees Systeem van Centrale Banken (ESCB). Het ESCB bepaalt formeel het Europese monetaire beleid en voert het uit. De ECB heeft hierbij als centrale taak het gezamenlijke monetaire beleid van de eurozone te bepalen, terwijl de nationale centrale banken fungeren als een soort filialen van de Europese bank.

De ECB werkt, naar Duits model, onafhankelijk van de politiek. Om de stabiliteit van de euro te handhaven en het economische beleid te ondersteunen heeft de ECB in grote lijnen vier taken:

  • het uitgeven van munten en biljetten
  • het samenwerken op internationaal en Europees niveau
  • het stabiliseren van het financiŽle stelsel en toezicht houden op de banksector
  • het bewaken van de prijsstabiliteit van de euro, dit betekent beheersing van de inflatie.

Criteria voor eurozone

Landen die de euro willen invoeren moeten voldoen aan strenge voorwaarden die gesteld zijn in de Gemeenschappelijke Richtsnoeren van het gezamenlijke Economisch Beleid. Deze convergentiecriteria luiden:

  • prijsstabiliteit: de inflatie mag niet meer dan anderhalf procentpunt hoger zijn dan die van de drie lidstaten die in het voorgaande jaar de laagste inflatie hadden
  • begrotingstekort: deze moet in het algemeen onder de 3 % van het bruto binnenlands product†i (BBP) liggen. Via het stabiliteits- en groeipact†i hebben de lidstaten zich verbonden aan het streven naar een begrotingsevenwicht of -overschot in normale economische omstandigheden
  • overheidsschuld: deze mag maximaal 60% van het BBP bedragen, maar landen met een hogere schuld kunnen toch de euro invoeren als hun schuldenlast langzaam maar zeker daalt
  • de langetermijnrente: deze mag niet meer dan twee procentpunten hoger zijn dan die van de drie lidstaten die het voorgaande jaar de laagste inflatie hadden
  • wisselkoersstabiliteit: de wisselkoers moet twee jaar lang binnen van tevoren vastgestelde marges blijven. Dit zijn de marges van het Europees wisselkoersmechanisme II†i, een systeem voor lidstaten die hun munt aan de euro willen koppelen

Landen die hier niet voldoen worden onder speciaal toezicht gesteld door de Europese Commissie. Blijft een lidstaat langdurig achter met het bereiken van een acceptabel begrotingstekort, dan kan de Raad van Ministers†i een boete uitdelen.

Naast deze criteria wordt ook rekening gehouden met de ontwikkeling van de economie van het land. Daarbij wordt in het bijzonder gekeken naar de de werking van de markteconomie en de aansluiting van de markt van dat land op de rest van de EU, de loonkosten en de arbeidsproductiviteit en de betalingsbalans.

Omdat de economieŽn van de eurozone veel invloed op elkaar hebben, houden de ministers van FinanciŽn van de landen met de euro†i evenals de staatshoofden en regeringsleiders van de landen met de euro†i extra overleggen om de economische ontwikkelingen beter op elkaar af te stemmen.

Internationale rol van de euro

Op 5 december 2018 heeft de Europese Commissie een mededeling uitgebracht over de toekomst van de euro in internationaal perspectief. Vicevoorzitter Dombrovskis†i ziet een toenemende rol voor de euro. De eerste belangrijke stap die beleidsmakers kunnen nemen, is het voltooien van de EMU. Daarnaast is het van belang dat de bankenunie†i en de kapitaalmarktenunie†i verder integreren.

Het ontwikkelen van een direct betaalsysteem voor grensoverschrijdende transacties met de euro en in diplomatieke relaties de euro aanprijzen als munt moeten zorgen voor een grotere rol voor de euro op internationaal niveau.

Om beter in te kunnen springen op de wensen van markten, onder andere op het gebied van energie, zal de Europese Commissie een uitvraag doen onder marktspelers waarover in de zomer van 2019 een rapport zal worden gepresenteerd.

Begrotingsregels en de kredietcrisis

Het economische beleid en de positie van de Europese Centrale Bank komen met regelmaat onder vuur te liggen. Door de kredietcrisis waren veel lidstaten genoodzaakt hun overheidsfinanciŽn op orde te brengen en tekorten op hun begroting terug te dringen met bezuinigingsmaatregelen, om aan de begrotingsregels van het Stabiliteits- en Groeipact†i te kunnen voldoen.

In juli 2010 bepaalden de EU-landen dat er zowel financiŽle als niet-financiŽle sancties zullen worden opgelegd aan landen die zich niet aan de begrotingsregels†i houden. Op die wijze wil men een schuldencrisis zoals in Griekenland en andere landen voorkomen.

Het feit dat er tijdens de kredietcrisis tussen de Europese economieŽn geen schommelingen in onderlinge wisselkoersen zijn ontstaan, heeft ertoe geleid dat de financiŽle klappen op het Europese continent minder hard voelbaar waren. De euro toonde zich in 2009 wereldwijd als een veilige munt met een sterke en stabiele wisselkoers ten opzichte van de dollar.

Opkopen staatsobligaties

In januari 2015 besloot de ECB voor maximaal 1140 miljard euro aan staatsleningen te gaan opkopen om de economie te stimuleren en de inflatie aan te jagen. Dit programma liep formeel tot januari 2019, maar de ECB koopt nog wel staatsobligaties op met het geld dat is binnengekomen door afgeloste leningen. Er wordt geen extra geld meer in het programma gestoken.

Mijlpalen

Oprichting van de euro

Al vanaf de jaren '70 van de vorige eeuw wordt eraan gewerkt om de Europese economieŽn en munteenheden op ťťn lijn te krijgen. In 1989 presenteerde men een driestappenplan om te komen tot een Economische en Monetaire Unie†i (EMU).

Dit plan werd in 1992 vastgelegd in het Verdrag van Maastricht†i. In eerste instantie werden de wisselkoersen van de verschillende Europese munteenheden aan elkaar gekoppeld. Dat gebeurde op 31 december 1998. Niet alle landen waren in dit stadium bereid of in staat om aan de EMU deel te nemen: Groot-BrittanniŽ en Denemarken haakten al snel af, terwijl Griekenland en Zweden in eerste instantie niet konden voldoen aan de convergentiecriteria (zie onder). In 2001 slaagden de Grieken er wel in om hun begroting op orde te krijgen, al bleek in 2009 dat daarbij flink gegoocheld was met cijfers.

De invoering van de euro gebeurde in twee stappen. Stap ťťn was dat vanaf 1999 euro als rekeneenheid werd ingevoerd waarmee de onderlinge wisselkoersen van deelnemende landen in euro's werd weergegeven. De verschillende nationale valuta waren zo aan elkaar gekoppeld dat ze feitelijk nog slechts een verschijningsvorm van de euro waren.

In 2002 werden euromunten en -biljetten daadwerkelijk ingevoerd. Twaalf van de op dat moment vijftien Europese lidstaten ruilden toen hun eigen valuta in. In de daarop volgende jaren werd de Europese Unie in twee etappes flink uitgebreid en traden in totaal dertien nieuwe lidstaten toe tot de Unie. In de afzonderlijke toetredingsverdragen werd opgenomen dat ook de nieuwe lidstaten op termijn de euro als betaalmiddel zouden invoeren.

Land

Datum van

invoering euro

Oude munteenheid

BelgiŽ

1 januari 2002

Belgische frank

Duitsland

1 januari 2002

Duitse mark

Finland

1 januari 2002

Finse markka

Frankrijk

1 januari 2002

Franse franc

Ierland

1 januari 2002

Ierse pond

ItaliŽ

1 januari 2002

Italiaanse lire

Luxemburg

1 januari 2002

Luxemburgse frank

Nederland

1 januari 2002

Nederlandse gulden

Oostenrijk

1 januari 2002

Oostenrijkse schilling

Portugal

1 januari 2002

Portugese escudo

Spanje

1 januari 2002

Spaanse peseta

Griekenland

1 januari 2002

Griekse drachme

SloveniŽ

1 januari 2007

Sloveense tolar

Cyprus

1 januari 2008

Cypriotische pond

Malta

1 januari 2008

Maltese lire

Slowakije

1 januari 2009

Slowaakse kroon

Estland

1 januari 2011

Estische kroon

Andorra

1 juli 2013

Franse frank/peseta

Letland

1 januari 2014

Letse lats

Litouwen

1 januari 2015

Litouwse Las

De euro wordt ook gebruikt als betaalmiddel in Vaticaanstad, Andorra, Monaco, San Marino, Montenegro en Kosovo.

In juli 2019 werd bekendgemaakt dat ook KroatiŽ zich gaat voorbereiden op het invoeren van de euro als nationale munt.

Denemarken en het Verenigd Koninkrijk hebben geen verdragsverplichting tot het invoeren van de euro. Zweden heeft ervoor gekozen niet aan alle voorwaarden te voldoen zodat het land niet hoeft toe te treden tot de euro. Deze keuze wordt gedoogd door de andere EU-landen. Mogelijk gaat deze gedoogconstructie ook voor enkele Midden-Europese landen gelden.

Tijdelijk Europees noodfonds

In 2010 trad al een tijdelijk noodfonds in werking, de European Financial Stability Facility†i, om eurolanden in financiŽle problemen bij te staan en de stabiliteit van de euro te waarborgen. De Europese Commissie kwam met het plan voor een tijdelijk noodfonds naar aanleiding van de wereldwijde financiŽle crisis en de financiŽle problemen in Griekenland. Sinds de inwerkingtreding van dit fonds hebben tot op heden alleen Griekenland, Ierland en Portugal er een beroep op hoeven doen. Het tijdelijke fonds liep tot 2013.

Europees monetair noodfonds

Tijdens de Eurotop†i van december 2010 werd besloten om een permanent noodfonds voor de euro in te stellen, het zogenaamde European Stability Mechanism†i. Dit permanente noodfonds moet voorkomen dat landen met financiŽle problemen de euro verzwakken. De hulp kan alleen worden toegepast als dat onontbeerlijk is voor de stabiliteit van de hele eurozone. Alle vereiste hulp wordt aan strikte voorwaarden verbonden. Het noodfonds is in 2013 van kracht geworden.

Het huidige Verdrag van Lissabon†i bepaalt dat EU-landen elkaar niet financieel mogen helpen. Daarom was voor een permanent noodfonds een wijziging van het Verdrag noodzakelijk.

Lees meer

2.

Wie doet wat

Bij besluitvorming op dit beleidsterrein spelen de Europese Commissie, de Raad†i, de Europese Raad†i, het Europees Parlement†i en de Europese Centrale Bank†i (ECB) een rol.

Voor het terrein van toezicht op financiŽle instellingen geldt dat de Raad besluit met eenparigheid van stemmen†i, na raadpleging†i van het Europees Parlement en de Europese Centrale Bank.

Voor invoering van de euro geldt een andere procedure. Indien een niet-euroland voldoet aan de eisen om de euro in te kunnen voeren, besluit de Raad met gekwalificeerde meerderheid van stemmen†i over invoering van de euro in de betrokken lidstaat. Alleen eurolanden mogen in de Raad stemmen. Het Europees Parlement en de Europese Raad moeten zijn geraadpleegd. Hoe de euro in de betrokken lidstaat wordt ingevoerd, en de koers waartegen de munt ingeruild wordt voor de euro, wordt door de Raad met eenparigheid van stemmen besloten. De Europese Centrale Bank moet zijn geraadpleegd.

 

Europees orgaan

Verantwoordelijke

Europese Commissie

Eurocommissaris voor Euro & sociale dialoog†i

Europese Centrale Bank

Christine Lagarde†i

Parlementaire Commissie EP

Commissie Economische en Monetaire zaken†i

Nederland lid Commissie EP

Ondervoorzitter(s)


Lid/leden


Plaatsvervanger(s)

Raad van de Europese Unie

Raad Economische en FinanciŽle Zaken (Ecofin)

Nederlandse afvaardiging Raad van de Europese Unie

Wopke Hoekstra†i, minister van FinanciŽn

Aparte samenstelling Raad Eurozone

Eurogroep†i

Nederlandse deelnemer(s) Eurogroep

Wopke Hoekstra†i, minister van FinanciŽn

Invloed nationale parlementen op eurobeleid

Het Nederlandse parlement heeft ook een rol in de totstandkoming van Europees beleid. Dat kan formeel op twee manieren. Ten eerste controleert de Staten-Generaal de minister of staatssecretaris die naar de Raad van de Europese Unie gaat om over het onderwerp te praten. Daarnaast kunnen nationale parlementen van de lidstaten binnen acht weken nadat de Europese Commissie een voorstel heeft bekendgemaakt, laten weten dat de Europese Unie zich niet met het onderwerp zou moeten bezighouden†i.

Vanuit het Nederlandse parlement zijn bij dit beleidsterrein betrokken:

 

Nederlands orgaan

Verantwoordelijke

Tweede Kamer

Vaste commissie voor FinanciŽn (Fin.) - Tweede Kamer†i

Eerste Kamer

Eerste Kamercommissie voor FinanciŽn (Fin.)†i

Betrokken bij wetgeving en uitvoering

 

Betrokken instantie

Verantwoordelijke

Directoraat-Generaal

DG voor Economische en FinanciŽle zaken†i

3.

Juridisch kader

Het monetair beleid vindt zijn basis in het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU)†i en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VwEU)†i:

  • beginselen: VEU titel I art. 13 lid 1 en art. 21 lid 3, derde deel VwEU titel VIII hoofdstuk 4 (artikelen 136 t/m 138)
  • uitgifte euro's: derde deel VwEU titel VIII hoofdstuk 2 art. 128†i
  • invoeren euro en positie niet eurolanden: derde deel VwEU titel VIII hoofdstuk 5 art. 139†i, 140†i
  • institutionele inkadering: derde deel VwEU titel VIII hoofdstuk 2 art. 133†i, en zie de ECB

4.

Meer informatie

Europese Unie

Algemeen overzicht EU

Factsheets Europees Parlement

Wetgevingsoverzicht

Statistieken

  • 1) 
    Eurostat
  • 2) 
    ECB